Chapter, Verse
1 1, 12| 12 Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze
2 1, 13| 13 Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want
3 1, 13| en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze
4 1, 15| gerechtigheid, maar bij ons is schaamte des aangezichts,
5 1, 18| des Heren, die hij voor ons aangezicht gegeven had.~
6 1, 20| 20 En aan ons zijn gekleefd de ellenden,
7 1, 20| het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide
8 1, 21| der profeten, die hij tot ons heeft gezonden.~
9 1, 22| 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten
10 2, 1 | bevestigd, dat hij over ons gesproken had, en over onze
11 2, 2 | 2 Dat hij over ons grote ellende liet komen,
12 2, 4 | koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een versmaadheid
13 2, 4 | onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder hen de Here
14 2, 5 | en niet boven; omdat wij ons verzondigd hebben aan de
15 2, 6 | rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaderen de schaamte
16 2, 7 | 7 Al wat de Here over ons gesproken heeft, dat kwaad
17 2, 7 | heeft, dat kwaad is over ons gekomen.~
18 2, 9 | en de Here heeft die over ons gebracht, want de Here is
19 2, 9 | al zijn werken, die hij ons heeft geboden.~
20 2, 10| die hij gegeven had voor ons aangezicht.~
21 2, 13| 13 Laat uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen
22 2, 13| de heidenen, waarheen gij ons verstrooid hebt.~
23 2, 14| 14 Verhoor, Here, ons gebed en onze smeking, en
24 2, 14| en onze smeking, en trek ons hieruit om uwentwil, en
25 2, 14| hieruit om uwentwil, en geef ons genade voor het aanschijn
26 2, 14| aanschijn dergenen, die ons weggevoerd hebben.~
27 2, 16| heilig huis, en gedenk aan ons, en neig, Here, uw oor,
28 2, 19| 19 Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o Here
29 2, 20| toorn en gramschap over ons gebracht, gelijk als gij
30 2, 27| 27 Gij hebt met ons gedaan, Here onze God, naar
31 3, 4 | gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.~
32 3, 8 | vreemdelingschap waarheen gij ons verstrooid hebt, tot een
33 4, 4 | want hetgeen God behaagt is ons kennelijk.~
34 6, 68| Op geen wijze dan is het ons openbaar dat zij goden zijn.~
|