Chapter, Verse
1 1, 12| Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade
2 1, 12| dagen dienen, en genade voor hen vinden.~
3 2, 4 | 4 Hij heeft hen overgegeven om knechten
4 2, 4 | rondom ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid heeft.~
5 2, 29| de heidenen, waarheen ik hen verstrooien zal.~
6 2, 34| 34 En ik zal hen doen wederkeren in het land
7 2, 34| daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen, en zij
8 4, 10| dochteren, welke de eeuwige over hen gebracht heeft.~
9 4, 11| 11 Want ik heb hen opgevoed met vreugde, maar
10 4, 11| met vreugde, maar ik heb hen heengezonden met wenen en
11 4, 14| dochters, die de eeuwige over hen heeft gebracht.~
12 4, 15| 15 Want hij heeft over hen gebracht een volk van verre,
13 6, 4 | wordt, en u een vrees voor hen bevange.~
14 6, 5 | een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt
15 6, 12| huizes, dat zeer veel op hen is.~
16 6, 15| 15 Zo vreest hen dan niet, want gelijk een
17 6, 22| geen goden zijn, zo vreest hen dan niet.~
18 6, 23| afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo
19 6, 25| voeten zijnde, draagt men hen op de schouders, ver tonende
20 6, 26| 26 Die hen dienen worden ook beschaamd,
21 6, 26| zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich niet
22 6, 28| goden zijn, en vreest voor hen niet.~
23 6, 38| gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd
24 6, 39| 39 Hoe zal men hen dan goden achten of heten?~
25 6, 44| 44 Alles wat onder hen geschiedt is leugen, hoe
26 6, 44| geschiedt is leugen, hoe zal men hen dan goden achten of heten?~
27 6, 46| 46 En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen
28 6, 46| deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?~
29 6, 48| of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de
30 6, 50| en dat geen werk Gods in hen is.~
31 6, 53| houden geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor
32 6, 57| 57 Want de sterken onder hen halen rondom deze af het
33 6, 64| geen goden zijn, zo vreest hen niet.~
|