Chapter, Verse
1 1, 22| zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te
2 6, 3 | zilveren, en gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen.~
3 6, 8 | voor de hoofden van hun goden.~
4 6, 9 | priesters het goud en zilver hun goden, en brengen het door voor
5 6, 10| zilveren en gouden en houten goden, met klederen als mensen.~
6 6, 14| daaraan kent men dat zij geen goden zijn.~
7 6, 15| is, zodanig zijn ook hun goden.~
8 6, 22| zult gij weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan
9 6, 28| dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen
10 6, 29| Want waarvan zouden zij goden heten? namelijk omdat de
11 6, 29| zilveren, gouden, en houten goden offer voor zetten;~
12 6, 31| brullen, en roepen voor hun goden, gelijk sommigen in de maaltijden
13 6, 39| 39 Hoe zal men hen dan goden achten of heten?~
14 6, 44| leugen, hoe zal men hen dan goden achten of heten?~
15 6, 46| tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt
16 6, 48| zij zich te zamen met hun goden verbergen zullen.~
17 6, 49| niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch
18 6, 50| vergulde en verzilverde goden zijn, zo zal het daarna
19 6, 50| duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden,
20 6, 51| dan weten, dat zij geen goden zijn?~
21 6, 54| vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters
22 6, 55| achten of aannemen, dat zij goden zijn?~
23 6, 56| verzilverde, en vergulde goden zichzelf beschermen.~
24 6, 58| gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het
25 6, 58| daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in
26 6, 58| paleis dan die versierde goden.~
27 6, 63| houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig
28 6, 64| Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet.~
29 6, 68| het ons openbaar dat zij goden zijn.~
30 6, 69| vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn
31 6, 70| vergulde, en verzilverde goden een dode gelijk, die in
32 6, 71| ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken
|