Chapter, Verse
1 1, 12| 12 Zo zal de Here ons sterkte
2 2, 21| van Babylonië te dienen, zo zult gij blijven zitten
3 2, 23| 23 Zo zal ik maken, dat uit de
4 2, 29| mijn stem niet zult horen, zo zal waarlijk deze hoop,
5 4, 24| gevangenis ge zien hebben, zo zullen zij haast zien uw
6 4, 28| om van God te ver dwalen, zo doet tienmaal meer naarstigheid
7 4, 33| vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over
8 6, 5 | achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U
9 6, 12| zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht,
10 6, 15| 15 Zo vreest hen dan niet, want
11 6, 16| hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van
12 6, 19| en hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet.~
13 6, 22| dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet.~
14 6, 23| hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken,
15 6, 25| de schouders, ver tonende zo de mensen hun oneer.~
16 6, 26| zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich
17 6, 26| niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich
18 6, 26| maar gelijk als voor doden zo zet men hun gaven voor.~
19 6, 34| doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.~
20 6, 40| zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel,~
21 6, 41| het tegendeel bemerken, zo kunnen zij zulks niet nalaten,
22 6, 43| voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene
23 6, 48| 48 Want zo wanneer krijg of een ander
24 6, 48| ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters
25 6, 50| verzilverde goden zijn, zo zal het daarna alle volken
26 6, 54| vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel
27 6, 60| schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de wind in alle
28 6, 64| dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet.~
29 6, 69| komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde
30 6, 72| 72 Zo is dan de rechtvaardige
|