38-valle | valt-zweve
Chapter, Verse
1 6, 38| 38 Zij zijn sommige houten,
2 6, 39| 39 Hoe zal men hen dan goden
3 6, 40| 40 Bovendien onteren zich de
4 6, 41| 41 Verzoekende dat hij zou
5 6, 42| 42 Nu de vrouwen met biezenbanden
6 6, 43| 43 En wanneer een dezer weggerukt
7 6, 44| 44 Alles wat onder hen geschiedt
8 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters
9 6, 46| 46 En zijzelf, die hen gemaakt
10 6, 47| 47 Want zij hebben leugens
11 6, 48| 48 Want zo wanneer krijg of
12 6, 49| 49 Hoe kan men dan niet tasten,
13 6, 50| 50 Want dewijl zij maar houten,
14 6, 51| 51 Waaraan zal men dan weten,
15 6, 52| 52 Want zij kunnen geen koning
16 6, 53| 53 Zij houden geen gericht
17 6, 54| 54 Want ook, als het vuur valt
18 6, 55| 55 Zij wederstaan noch koning,
19 6, 56| 56 Noch voor dieven, noch voor
20 6, 57| 57 Want de sterken onder hen
21 6, 58| 58 Zodat een koning, die zijn
22 6, 59| 59 Want de zon, en de maan,
23 6, 60| 60 Desgelijks de bliksem, als
24 6, 61| 61 En de wolken, als haar door
25 6, 62| 62 En het vuur, als het van
26 6, 63| 63 Daarom moet men noch houden,
27 6, 64| 64 Wetende dan dat zij geen
28 6, 65| 65 Want zij kunnen de koningen
29 6, 66| 66 Zij kunnen ook geen tekenen
30 6, 67| 67 De wilde gedierten zijn
31 6, 68| 68 Op geen wijze dan is het
32 6, 69| 69 Want gelijk een vogelverschrikker
33 6, 70| 70 Insgelijks ook zijn hun
34 6, 71| 71 Men kan ook bemerken dat
35 6, 72| 72 Zo is dan de rechtvaardige
36 6, 5 | uw gedachten: U moet men aanbidden, Here.~
37 6, 5 | en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten:
38 6, 3 | goden, die de heidenen vrees aandoen.~
39 3, 4 | hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.~
40 3, 21| verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van
41 2, 26| huis, waarin uw naam was aangeroepen, gemaakt gelijk het te dezen
42 2, 6 | vaderen de schaamte der aangezichten, gelijk deze, dag zelf uitwijst.~
43 1, 15| bij ons is schaamte des aangezichts, gelijk het te dezen dage
44 6, 55| hoe kan men dan achten of aannemen, dat zij goden zijn?~
45 3, 7 | op dat wij uw naam zouden aanroepen, en wij zullen u loven in
46 6, 33| vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch af zetten.~
47 2, 15| 15 Opdat de ganse aardbodem wete, dat gij de Here onze
48 2, 34| land dat ik hun vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen
49 6, 43| zij des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat
50 6, 5 | zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo
51 4, 12| zij van de wet Gods zijn afge weken;~
52 2, 8 | dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten
53 6, 30| hoofden en baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?~
54 3, 8 | die van de Here onze God afgeweken zijn.~
55 1, 13| gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.~
56 6, 62| vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen en bossen te
57 6, 72| rechtvaardige mens beter, die geen afgoden heeft, want hij is verre
58 6, 23| indien niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen
59 3, 23| 23 De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap
60 1, 15| 15 En spreekt aldus: Bij de Here onze God is
61 6, 69| doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte op zit.~
62 6, 44| 44 Alles wat onder hen geschiedt
63 6, 41| Verzoekende dat hij zou spreken, alsof het hem mogelijk ware te
64 1, 10| spijsoffer, en offert op het altaar van de Here onze God.~
65 5, 7 | en de duinen aan de zee altijd durende; en alle dalen te
66 3, 19| het graf nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan.~
67 6, 45| toebereid, en daar wordt anders niets van dan de kunstenaars
68 2, 11| grote kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt,
69 6, 27| het zout, en delen noch de armen, noch de kranken daarvan
70 1, 1 | zoon van Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven
71 6, 30| rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal afgeschoren, en hun
72 6, 1 | Nabuchodonosor, de koning der Babyloniërs, naar Babel gevankelijk
73 1, 5 | zij weenden en vastten, en baden tot de Here;~
74 4, 22| toegekomen van de heilige; om der barmhartig heid wil, die ulieden haastig
75 3, 1 | in benauwdheid is, en een beangste geest roept tot u.~
76 3, 31| weg weet, noch haar pad bedenkt.~
77 4, 33| ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar eigen verwoesting.~
78 1, 17| wil, die wij voor de Here begaan hebben;~
79 3, 26| beroemde lieden, die van den beginne geweest zijn; groot waren
80 4, 4 | Israël, want hetgeen God behaagt is ons kennelijk.~
81 4, 2 | 2 Bekeer u, Jakob, en neem haar aan;
82 4, 28| tienmaal meer naarstigheid om, bekeerd zijnde, hem te zoeken.~
83 6, 50| zal het daarna alle volken bekend worden, dat zij leugens
84 2, 33| 33 En zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid,
85 6, 12| 12 Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed,
86 1, 14| feestdag en op de dagen des bekwamen tijds.~
87 6, 40| zo brengen zij hem tot Bel,~
88 6, 34| geld. Indien iemand hun een belofte doet, en houdt die niet,
89 3, 37| aan Israël, dat door hem bemind geweest is. Daarna is zij
90 3, 1 | Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest
91 6, 48| kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkander,
92 3, 32| zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd,
93 6, 8 | versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen voor de hoofden van
94 1, 10| zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer, en offert op
95 3, 26| 26 Daar waren de reuzen, beroemde lieden, die van den beginne
96 4, 16| hebben zij van haar dochters beroofd.~
97 5, 8 | welriekende bomen, zullen Israël beschaduwen, door Gods bevel.~
98 6, 56| vergulde goden zichzelf beschermen.~
99 6, 43| genen die daar voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks
100 5, 7 | 7 Want God heeft besloten, alle hoge bergen te vernederen,
101 6, 72| heeft, want hij is verre van bespotting.~
102 4, 1 | de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden
103 3, 17| goud, waar de mensen op betrou wen, en hun bezitting is
104 6, 4 | en u een vrees voor hen bevange.~
105 5, 8 | Israël beschaduwen, door Gods bevel.~
106 3, 33| het is hem gehoorzaam met beven.~
107 2, 35| zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat ik hun zal
108 6, 35| verlossen, noch een zwakke bevrijden van een sterke.~
109 6, 58| een deur in het huis die bewaart hetgeen daarin is, dan die
110 6, 26| opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt,
111 3, 18| 18 Want die het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig
112 6, 58| die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een vat
113 4, 35| zij zal door de duivelen bewoond worden, een lange tijd.~
114 6, 17| worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook
115 6, 58| nuttig is in huis, hetwelk de bezitter gebruikt, dan die versierde
116 3, 17| mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.~
117 2, 18| daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig
118 6, 43| gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.~
119 6, 42| 42 Nu de vrouwen met biezenbanden omgord, zitten op de wegen,
120 6, 14| zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van
121 2, 27| Here onze God, naar al uw billijkheid, en naar al uw grote barmhartigheid.~
122 6, 60| 60 Desgelijks de bliksem, als hij schijnt, is licht
123 6, 36| 36 Zij zullen een blinde niet weder tot het gezicht
124 5, 8 | bossen, en alle welriekende bomen, zullen Israël beschaduwen,
125 1, 22| in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te
126 2, 26| dezen dage is, vanwege de boosheid van het huis Israëls, en
127 6, 40| 40 Bovendien onteren zich de Chaldeeën
128 2, 33| hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij zullen
129 2, 8 | hebben van de gedachten zijns bozen harten.~
130 1, 10| over; koopt met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook,
131 5, 6 | door de vijanden; maar God brengt die weder tot u in, opgenomen
132 2, 23| bruidegom, en de stem der bruid, en het gehele land zal
133 2, 23| blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem der bruid, en
134 6, 31| 31 Zij brullen, en roepen voor hun goden,
135 2, 23| uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem ophoude de stem
136 2, 25| uitgeworpen voor de hitte des daags en voor de koude des nachts,
137 2, 18| geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken,
138 6, 32| hun klederen, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.~
139 2, 34| gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen,
140 3, 18| het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn, welker
141 6, 10| de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook
142 5, 7 | altijd durende; en alle dalen te vervullen in gelijkheid
143 6, 43| wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is,
144 3, 11| doden, gij zijt gerekend met degenen, die in het graf zijn.~
145 6, 27| daarvan in het zout, en delen noch de armen, noch de kranken
146 3, 26| beroemde lieden, die van den beginne geweest zijn; groot
147 4, 2 | verlichting voor het licht derzelve.~
148 6, 58| versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart
149 6, 17| priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat
150 6, 69| en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij gelijk de
151 6, 19| uitgeknaagd van de kruipende dieren der aarde; en wanneer zij
152 6, 56| 56 Noch voor dieven, noch voor rovers, kunnen
153 3, 32| 32 Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij
154 2, 3 | ander het vlees van zijn dochter.~
155 4, 10| gevangenis mijner zonen en dochteren, welke de eeuwige over hen
156 6, 70| en verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker
157 6, 70| dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.~
158 6, 69| wijze zijn zij gelijk de doornenboom in een hof, waar allerlei
159 3, 23| 23 De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap wel op aarde,
160 6, 25| 25 Zonder voeten zijnde, draagt men hen op de schouders,
161 6, 3 | Babylonië op de schouders zien dragen de zilveren, en gouden,
162 6, 61| bevolen is dat zij zullen drijven over de gehele wereld, volbrengen
163 6, 50| zijn; en alle koningen zal duidelijk worden dat zij geen goden
164 5, 7 | bergen te vernederen, en de duinen aan de zee altijd durende;
165 5, 7 | duinen aan de zee altijd durende; en alle dalen te vervullen
166 4, 28| geweest om van God te ver dwalen, zo doet tienmaal meer naarstigheid
167 4, 16| zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters
168 2, 11| Israël, die uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand,
169 6, 71| verrot; zij zullen ook zelf eindelijk opgegeten worden van de
170 6, 34| doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.~
171 6, 48| beraadslagen de priesters onder elkander, hoe zij zich te zamen met
172 2, 2 | 2 Dat hij over ons grote ellende liet komen, hoedanige hij
173 6, 6 | 6 Want mijn engel is bij u, en hij zal uw
174 6, 4 | voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk
175 3, 10| 10 Wat is er Israël, dat gij in het land
176 2, 19| 19 Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o Here onze God,
177 2, 31| weg voering, en zij zullen erkennen, dat ik de Here hun God
178 3, 26| waren zij van lichaam, en ervaren in de krijg.~
179 2, 3 | 3 Zodat wij eten zouden, de een het vlees
180 3, 23| Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers der
181 1, 14| openlijk voor te lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen
182 6, 7 | is van de werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom
183 3, 12| 12 Gij hebt de fontein der wijsheid verlaten.~
184 6, 5 | schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw
185 6, 8 | als voor een maagd, die gaarne versierd is, nemen zij goud
186 6, 26| voor doden zo zet men hun gaven voor.~
187 6, 38| stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt; maar die hen dienen
188 2, 13| want wij zijn weinigen over gebleven onder de heidenen, waarheen
189 2, 18| bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de
190 6, 15| een vat van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn
191 6, 59| uitgezonden worden tot hun gebruik zijn gehoorzaam;~
192 6, 58| huis, hetwelk de bezitter gebruikt, dan die versierde goden;
193 4, 28| 28 Want gelijk uw gedachte is geweest om van God te
194 4, 5 | goedsmoeds mijn volk, gij gedachtenis van Israël.~
195 4, 14| gij naburinnen Sions, en gedenkt de gevangenis mijner zonen
196 4, 32| steden, welke uw kinderen gediend hebben; onzalig de stad,
197 4, 25| 25 Gij kinderen, lijdt geduldig de toorn, die van God over
198 4, 13| geboden Gods, en zijn niet gegaan op de paden der tuchtiging
199 6, 23| voelden het ook niet als zij gegoten werden.~
200 4, 22| de eeuwige uw verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen
201 1, 20| 20 En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking,
202 6, 24| Zij zijn voor grote prijs gekocht, waar nochtans geen geest
203 2, 28| 28 Gelijkerwijs gij gesproken hebt door
204 5, 7 | alle dalen te vervullen in gelijkheid der aarde; opdat Israël
205 3, 2 | 2 Hoor Here, en wees genadig, want wij hebben voor u
206 6, 43| weggerukt zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen
207 3, 7 | en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden onzer
208 4, 7 | als gij de duivelen hebt geofferd, en niet God.~
209 3, 11| onder de doden, gij zijt gerekend met degenen, die in het
210 3, 35| 35 Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij
211 3, 35| Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid voor hem,
212 6, 30| in hun tempels, hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden
213 6, 44| 44 Alles wat onder hen geschiedt is leugen, hoe zal men hen
214 2, 15| zijt, en dat Israël en zijn geslacht naar uw naam genoemd wordt.~
215 6, 2 | blijven, namelijk tot zeven geslachten toe, maar daarna zal ik
216 2, 8 | aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou
217 6, 7 | de werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met
218 2, 25| des nachts, en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger
219 3, 4 | hoor toch het gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen
220 6, 18| kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf, waarvan
221 4, 8 | eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en gij hebt Jeruzalem
222 3, 30| 30 Wie is getogen over de zee, en heeft haar
223 1, 9 | Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het
224 6, 1 | Babyloniërs, naar Babel gevankelijk weggevoerd worden.~
225 3, 29| opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?~
226 4, 8 | Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft.~
227 6, 41| nalaten, want zij hebben geen gevoel.~
228 6, 19| hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet.~
229 6, 69| in een hof, waar allerlei gevogelte op zit.~
230 4, 21| zal u verlossen uit het geweld, en uit de hand der vijanden.~
231 6, 70| gelijk, die in het donker geworpen ligt.~
232 6, 36| blinde niet weder tot het gezicht brengen, noch een mens,
233 2, 34| Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover
234 4, 24| met grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.~
235 2, 12| hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij heb ben onrecht
236 5, 4 | en heerlijkheid, lof der Godzaligheid.~
237 4, 5 | 5 Zijt goedsmoeds mijn volk, gij gedachtenis
238 6, 45| zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid, en daar wordt
239 6, 17| tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers
240 2, 18| 18 Maar de ziel, die grotelijks bedroefd is, de geest die
241 1, 4 | volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden
242 4, 22| barmhartig heid wil, die ulieden haastig zal komen van onze eeuwige
243 6, 57| Want de sterken onder hen halen rondom deze af het goud
244 4, 25| zien, en gij zult op hun halzen treden.~
245 6, 23| van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen
246 2, 30| zullen horen, dewijl het een hardnekkig volk is.~
247 2, 33| zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken,
248 3, 7 | vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden
249 6, 30| priesters zitten in hun tempels, hebbende gescheurde rokken aan, en
250 3, 8 | 8 Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap
251 4, 26| zijn door scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als
252 4, 11| vreugde, maar ik heb hen heengezonden met wenen en rouw.~
253 4, 22| heilige; om der barmhartig heid wil, die ulieden haastig
254 2, 16| 16 Here zie neder uit uw heilig huis, en gedenk aan ons,
255 4, 22| vreugde toegekomen van de heilige; om der barmhartig heid
256 6, 33| 33 En hetzij zij kwaad van iemand lijden,
257 3, 35| hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met
258 2, 14| onze smeking, en trek ons hieruit om uwentwil, en geef ons
259 2, 25| zijn uitgeworpen voor de hitte des daags en voor de koude
260 2, 2 | grote ellende liet komen, hoedanige hij niet heeft gedaan onder
261 6, 10| En geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn.
262 6, 41| mogelijk ware te verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken,
263 6, 69| gelijk de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte
264 6, 67| beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf kunnen
265 2, 25| gestorven in zware moeiten, door honger en door zwaard, en door
266 2, 18| bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen u, Here, de prijs
267 1, 20| dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze dag
268 5, 5 | Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het
269 2, 29| horen, zo zal waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen
270 2, 10| 10 Maar wij hoorden zijn stem niet, om te wandelen
271 4, 9 | komen zou, en heeft gezegd: Hoort toe, gij naburinnen Sions,
272 6, 34| hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die
273 6, 38| die men uit de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen
274 6, 16| 16 Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn
275 6, 12| aangezicht, vanwege het stof des huizes, dat zeer veel op hen is.~
276 4, 17| waarin kan ik ulieden te hulp komen?~
277 1, 6 | verzamelden geld, naar dat een ieders hand vermocht.~
278 3, 9 | levens, laat ze ter ore ingaan, opdat gij wijsheid moogt
279 3, 15| is in haar schat kamers ingegaan?~
280 1, 2 | welke de Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand
281 6, 62| doch deze zijn die noch ingestalte, noch in kracht gelijk.~
282 2, 17| graf, welker geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen de
283 2, 31| zij zullen tot zichzelf inkeren in het land hunner weg voering,
284 6, 70| 70 Insgelijks ook zijn hun houten, en
285 2, 12| Here onze God, tegen al uw inzettingen.~
286 2, 34| hun vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb,
287 1, 2 | 2 In het vijfde jaar, de zevende dag der maand,
288 6, 2 | zijnde, zult gij daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk
289 1, 8 | die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt
290 6, 30| en hun hoofden en baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden
291 6, 18| 18 Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan
292 3, 15| en wie is in haar schat kamers ingegaan?~
293 3, 22| 22 Zij is in Kanaän niet gehoord, noch in Theman
294 6, 21| vogels, desgelijks ook de katten.~
295 4, 4 | hetgeen God behaagt is ons kennelijk.~
296 3, 27| verkoren, noch hun de weg der kennis te verstaan gegeven.~
297 2, 13| 13 Laat uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen
298 4, 16| gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich niet ontfermd,
299 6, 32| nemen van hun klederen, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.~
300 1, 4 | van het ganse volk, van de kleinen tot de groten, voor allen
301 6, 58| een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is,
302 6, 69| vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn
303 6, 58| een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde
304 5, 6 | heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk.~
305 2, 4 | knechten te zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen;
306 3, 23| wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en
307 1, 10| wij zenden u geld over; koopt met dit geld brandoffer,
308 2, 25| hitte des daags en voor de koude des nachts, en zij zijn
309 6, 53| onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde
310 6, 28| raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Ziet dan daaruit dat
311 6, 27| delen noch de armen, noch de kranken daarvan mee.~
312 6, 8 | nemen zij goud en bereiden kronen voor de hoofden van hun
313 6, 19| worden uitgeknaagd van de kruipende dieren der aarde; en wanneer
314 4, 26| zij zijn weggerukt als een kudde, die door de vijanden geroofd
315 6, 45| anders niets van dan de kunstenaars willen dat zij zijn.~
316 1, 4 | volk, hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen,
317 6, 60| waait ook de wind in alle landen.~
318 1, 3 | 3 En Baruch las de redenen van dit boek
319 4, 9 | Sions, want God heeft groot leed over mij gebracht.~
320 3, 14| 14 Leer waar wijsheid is, waar sterkte
321 6, 27| desgelijks ook hun vrouwen leggen daarvan in het zout, en
322 6, 44| wat onder hen geschiedt is leugen, hoe zal men hen dan goden
323 6, 7 | versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken.~
324 3, 9 | Hoor Israël, de geboden des levens, laat ze ter ore ingaan,
325 3, 26| waren de reuzen, beroemde lieden, die van den beginne geweest
326 2, 2 | hij over ons grote ellende liet komen, hoedanige hij niet
327 2, 4 | koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een versmaadheid en
328 6, 70| die in het donker geworpen ligt.~
329 6, 33| hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het
330 4, 25| 25 Gij kinderen, lijdt geduldig de toorn, die van
331 5, 4 | gerechtigheid en heerlijkheid, lof der Godzaligheid.~
332 6, 49| van ander kwaad kunnen ver lossen?~
333 4, 22| komen van onze eeuwige ver losser.~
334 6, 8 | 8 En als voor een maagd, die gaarne versierd is,
335 3, 35| vrolijkheid voor hem, die haar ge maakt had.~
336 6, 31| goden, gelijk sommigen in de maaltijden over de doden.~
337 6, 28| Hun offeranden raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Ziet
338 6, 63| goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te
339 1, 1 | zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de
340 2, 23| 23 Zo zal ik maken, dat uit de steden van Juda
341 3, 37| en heeft onder de mensen mede verkeerd.~
342 6, 27| noch de kranken daarvan mee.~
343 1, 20| een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op
344 4, 34| rondom van haar wegnemen de menigte des volks waarover zij zich
345 6, 50| goden zijn, maar werken van mensenhanden, en dat geen werk Gods in
346 3, 23| aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters
347 3, 14| waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar een lang
348 6, 54| maar zij zullen als balken midden daarin verbrand worden.~
349 2, 32| hunner wegvoering, en zullen mijns naams gedenken.~
350 2, 25| zijn gestorven in zware moeiten, door honger en door zwaard,
351 1, 11| zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des hemels
352 6, 11| niet bewaren voor roest en mot.~
353 6, 47| schande de nakomelingen na gelaten.~
354 2, 32| wegvoering, en zullen mijns naams gedenken.~
355 4, 28| dwalen, zo doet tienmaal meer naarstigheid om, bekeerd zijnde, hem
356 6, 43| verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat zij
357 1, 12| leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel,
358 2, 25| daags en voor de koude des nachts, en zij zijn gestorven in
359 6, 21| op hun hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels,
360 3, 34| sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.~
361 1, 9 | 9 Nadat Nabuchodonosor, de koning
362 6, 41| zo kunnen zij zulks niet nalaten, want zij hebben geen gevoel.~
363 2, 16| 16 Here zie neder uit uw heilig huis, en gedenk
364 3, 29| gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?~
365 3, 19| verdwenen en in het graf nedergedaald, en anderen zijn in hun
366 6, 26| zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten,
367 4, 2 | 2 Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting
368 2, 16| huis, en gedenk aan ons, en neig, Here, uw oor, en hoor.~
369 2, 21| 21 Alzo spreekt de Here: Neigt uw schouder om de koning
370 1, 1 | die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon
371 6, 45| toebereid, en daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen
372 6, 24| grote prijs gekocht, waar nochtans geen geest in is.~
373 6, 36| brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.~
374 1, 12| de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en
375 6, 63| zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.~
376 6, 29| gouden, en houten goden offer voor zetten;~
377 1, 10| en bereidt spijsoffer, en offert op het altaar van de Here
378 6, 13| rechter is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt.~
379 6, 42| vrouwen met biezenbanden omgord, zitten op de wegen, om
380 6, 57| zilver, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het
381 3, 28| zij zijn vergaan om hunner onberadenheid wil.~
382 4, 15| een volk van verre, een onbeschaamd volk, en van een andere
383 5, 5 | kinderen verzameld van de ondergang der zon tot de opgang, door
384 4, 1 | bestaat. Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die
385 6, 6 | u, en hij zal uw zielen onderzoeken.~
386 3, 23| fakkeldichters en andere onderzoekers der wetenschap, maar de
387 6, 25| tonende zo de mensen hun oneer.~
388 6, 30| afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?~
389 4, 33| vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven
390 6, 53| voor onrecht, dewijl zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien,
391 3, 25| heeft geen einde, hoog, en onmetelijk.~
392 6, 40| 40 Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf,
393 4, 16| kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij
394 6, 37| 37 Zij ontfermen zich niet der weduwe, en
395 6, 54| wel kunnen ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen als balken
396 6, 18| 18 Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer
397 6, 9 | 9 Somwijlen ook onttrekken de priesters het goud en
398 6, 54| hun priesters wel kunnen ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen
399 2, 16| aan ons, en neig, Here, uw oor, en hoor.~
400 2, 17| 17 Doe uw ogen open Here, en zie, want de doden
401 6, 68| geen wijze dan is het ons openbaar dat zij goden zijn.~
402 1, 14| om in het huis des Heren openlijk voor te lezen, op, de feestdag
403 6, 71| zullen ook zelf eindelijk opgegeten worden van de wormen; en
404 5, 6 | brengt die weder tot u in, opgenomen in heerlijkheid als kinderen
405 3, 19| anderen zijn in hun plaats opgestaan.~
406 3, 29| 29 Wie is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en
407 4, 11| 11 Want ik heb hen opgevoed met vreugde, maar ik heb
408 2, 23| Juda en buiten Jeruzalem ophoude de stem der vreugde, en
409 6, 26| opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen;
410 6, 26| nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar gelijk als voor doden
411 6, 26| van zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht,
412 3, 9 | des levens, laat ze ter ore ingaan, opdat gij wijsheid
413 4, 16| geen schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij
414 1, 4 | koningen; en voor de oren der oudsten, en voor de oren van het
415 4, 12| zonden mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn
416 3, 31| haar weg weet, noch haar pad bedenkt.~
417 6, 58| pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden.~
418 6, 58| versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis
419 1, 7 | Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan de priesters, en
420 2, 32| 32 Zij zullen mij prijzen in het land hunner wegvoering,
421 6, 71| zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aan hebben, en dat
422 6, 12| zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht,
423 6, 28| 28 Hun offeranden raken de maandstondige en kraamvrouwen
424 4, 13| 13 En hebben zijn rechten niet gekend, en hebben niet
425 6, 13| een mens, die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen,
426 6, 14| heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal
427 2, 1 | gesproken had, en over onze rechters, die Israël gericht hebben,
428 2, 9 | gebracht, want de Here is rechtvaardig in al zijn werken, die hij
429 6, 72| 72 Zo is dan de rechtvaardige mens beter, die geen afgoden
430 6, 52| verwekken, en kunnen geen regen de mensen geven.~
431 3, 26| 26 Daar waren de reuzen, beroemde lieden, die van
432 6, 34| Desgelijks kunnen zij ook noch rijkdom geven, noch geld. Indien
433 1, 4 | woonden in Babylonië bij de rivier Sud.~
434 4, 34| zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.~
435 5, 2 | 2 Doe om de rok der gerechtigheid, die u
436 6, 30| tempels, hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden
437 5, 5 | zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie
438 6, 20| aan hun aangezicht van de rook, die uit het huis komt.~
439 6, 42| zitten op de wegen, om rookwerk van zemelen te offeren.~
440 1, 7 | van Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan de
441 6, 13| 13 En hij heeft een scepter als een mens, die des lands
442 6, 5 | Als gij zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande
443 6, 47| Want zij hebben leugens en schande de nakomelingen na gelaten.~
444 6, 71| geen goden zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aan hebben,
445 4, 26| tedere kinderen zijn door scherpe wegen heengegaan; zij zijn
446 6, 66| vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten
447 6, 60| Desgelijks de bliksem, als hij schijnt, is licht te zien, en zo
448 2, 21| spreekt de Here: Neigt uw schouder om de koning van Babylonië
449 2, 28| hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor de kinderen Israëls,
450 3, 8 | tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al de ongerechtigheden
451 4, 24| gelijk nu de naburinnen van Sion uw gevangenis ge zien hebben,
452 1, 8 | de tiende dag der Maand Sivan; namelijk de zilveren vaten,
453 6, 17| hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van
454 3, 8 | verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot
455 1, 19| de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn stem niet
456 6, 31| roepen voor hun goden, gelijk sommigen in de maaltijden over de
457 6, 9 | 9 Somwijlen ook onttrekken de priesters
458 1, 10| en wierook, en bereidt spijsoffer, en offert op het altaar
459 6, 71| wormen; en zij zullen een spot worden in het land.~
460 3, 17| 17 Die spotten met de vogelen des hemels,
461 5, 5 | 5 Sta weder op Jeruzalem, en zet
462 4, 32| gediend hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen
463 6, 38| verzilverde, en zijn de stenen gelijk, die men uit de gebergten
464 6, 57| 57 Want de sterken onder hen halen rondom deze
465 4, 1 | die haar verlaten zullen sterven.~
466 6, 40| zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan,
467 2, 19| 19 Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o
468 6, 63| niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.~
469 2, 9 | is wakker geweest in de straffen, en de Here heeft die over
470 1, 4 | Babylonië bij de rivier Sud.~
471 4, 15| volk, en van een andere taal.~
472 6, 49| 49 Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen goden zijn,
473 4, 26| 26 Mijn tedere kinderen zijn door scherpe
474 6, 41| verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken, zo kunnen zij
475 1, 8 | ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die
476 1, 8 | in het land Juda, op de tiende dag der Maand Sivan; namelijk
477 4, 28| God te ver dwalen, zo doet tienmaal meer naarstigheid om, bekeerd
478 1, 14| op de dagen des bekwamen tijds.~
479 3, 4 | gij God van Israël, hoor toch het gebed der gestorvenen
480 6, 45| werkmeesters en goudsmeden toebereid, en daar wordt anders niets
481 4, 22| gehoopt, en mij is vreugde toegekomen van de heilige; om der barmhartig
482 5, 3 | God zal uw heerlijkheid tonen al het volk, dat onder de
483 6, 25| hen op de schouders, ver tonende zo de mensen hun oneer.~
484 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester wel
485 4, 25| en gij zult op hun halzen treden.~
486 2, 14| gebed en onze smeking, en trek ons hieruit om uwentwil,
487 4, 13| niet gegaan op de paden der tuchtiging in zijn gerechtigheid.~
488 5, 2 | is, en zet op uw hoofd de tulband der heerlijkheid van de
489 6, 53| Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.~
490 4, 35| Want een vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen
491 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid
492 6, 19| zegt dat hun harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren
493 1, 20| waarop hij onze vaderen uitgeleid heeft uit het land van Egypte,
494 4, 20| heb het kleed des vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking
495 2, 25| 25 Ziet, zij zijn uitgeworpen voor de hitte des daags
496 3, 30| en zal haar brengen voor uitverkoren goud?~
497 3, 18| zorgvuldig zijn, welker geen uitvinding hunner werken is,~
498 2, 14| en trek ons hieruit om uwentwil, en geef ons genade voor
499 1, 16| en onze profeten, en onze vaders;~
500 6, 26| zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder
|