38-valle | valt-zweve
Chapter, Verse
501 6, 54| 54 Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten,
502 6, 16| Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol
503 1, 5 | 5 En zij weenden en vastten, en baden tot de Here;~
504 6, 12| met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege
505 4, 12| mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben tot
506 6, 48| zich te zamen met hun goden verbergen zullen.~
507 4, 12| 12 Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe
508 2, 35| En ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat
509 6, 43| dat haar biesband niet is verbroken.~
510 4, 25| maar gij zult haast zijn verderf zien, en gij zult op hun
511 4, 6 | verkocht, doch niet ten verderve; en omdat gij God vertoornd
512 5, 1 | van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe aan het versiersel,
513 2, 35| mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land, dat ik hun
514 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het graf nedergedaald,
515 6, 19| zij deze en hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet.~
516 3, 17| het zilver tot een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen
517 6, 33| goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen
518 4, 8 | Gij hebt de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en
519 6, 17| zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid
520 4, 34| volks waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw
521 2, 14| 14 Verhoor, Here, ons gebed en onze
522 3, 37| heeft onder de mensen mede verkeerd.~
523 4, 6 | 6 Gij zijt de heidenen verkocht, doch niet ten verderve;
524 6, 27| 27 Hun offeranden verkopen hun priesters en verteren
525 3, 27| Deze heeft de Here niet verkoren, noch hun de weg der kennis
526 4, 2 | neem haar aan; wandel tot verlichting voor het licht derzelve.~
527 2, 34| daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.~
528 2, 34| vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.~
529 1, 6 | naar dat een ieders hand vermocht.~
530 5, 7 | besloten, alle hoge bergen te vernederen, en de duinen aan de zee
531 3, 11| een vreemd land, gij zijt verontreinigd geworden onder de doden,
532 1, 20| vervloeking, welke de Here verordineerd had door Mozes, zijn knecht,
533 3, 11| 11 Gij zijt verouderd geworden in een vreemd land,
534 6, 71| dat zij aan hebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf eindelijk
535 6, 10| onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren en gouden
536 6, 23| goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken,
537 5, 1 | verdriet uit, en doe aan het versiersel, dat u door Gods heerlijkheid
538 2, 4 | rondom ons liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle
539 2, 29| heidenen, waarheen ik hen verstrooien zal.~
540 6, 66| hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen
541 4, 6 | verderve; en omdat gij God vertoornd hebt, zijt gij de vijanden
542 4, 30| die u genoemd heeft, zal u vertroosten.~
543 1, 20| gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de Here verordineerd
544 4, 25| want uw vijand heeft u zeer vervolgd, maar gij zult haast zijn
545 4, 33| heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo
546 3, 32| een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.~
547 5, 7 | durende; en alle dalen te vervullen in gelijkheid der aarde;
548 6, 52| kunnen geen koning des lands verwekken, en kunnen geen regen de
549 4, 7 | gemaakt heeft tot toorn verwekt, als gij de duivelen hebt
550 6, 43| voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast
551 4, 19| gaat heen, doch ik ben verwoest gelaten.~
552 1, 6 | 6 En zij verzamelden geld, naar dat een ieders
553 6, 17| rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook de priesters hun tempels
554 6, 41| 41 Verzoekende dat hij zou spreken, alsof
555 2, 5 | niet boven; omdat wij ons verzondigd hebben aan de Here onze
556 3, 32| die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.~
557 4, 25| over u is gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd, maar
558 1, 2 | 2 In het vijfde jaar, de zevende dag der
559 1, 12| dienen, en genade voor hen vinden.~
560 6, 21| lichaam en op hun hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen
561 1, 20| ons te geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk
562 3, 8 | tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering
563 6, 65| Want zij kunnen de koningen vloeken noch zegenen.~
564 6, 67| dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf kunnen helpen.~
565 6, 23| zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten
566 2, 31| inkeren in het land hunner weg voering, en zij zullen erkennen,
567 5, 6 | u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de vijanden;
568 3, 17| 17 Die spotten met de vogelen des hemels, en het zilver
569 6, 21| nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, desgelijks ook de katten.~
570 6, 69| 69 Want gelijk een vogelverschrikker in een komkommerhof niet
571 6, 16| vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de voeten dergenen
572 6, 61| drijven over de gehele wereld, volbrengen hetgeen bevolen is.~
573 4, 34| wegnemen de menigte des volks waarover zij zich verheugt,
574 6, 43| iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt
575 3, 33| licht zendt, en het gaat voort; hij roept het, en het is
576 1, 22| Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn
577 4, 20| 20 Ik heb het kleed des vredes uitgetogen, en heb de zak
578 6, 4 | gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en
579 3, 7 | Want daarom hebt gij uw vreze gegeven in onze harten,
580 6, 60| is licht te zien, en zo waait ook de wind in alle landen.~
581 6, 51| 51 Waaraan zal men dan weten, dat zij
582 6, 43| gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is, gelijk als zij;
583 2, 29| niet zult horen, zo zal waarlijk deze hoop, die groot en
584 6, 1 | 1 OM der zonden wil waarmee gij gezondigd hebt tegen
585 2, 4 | volken die rondom ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid heeft.~
586 1, 20| zijn knecht, op de dag, waarop hij onze vaderen uitgeleid
587 4, 34| wegnemen de menigte des volks waarover zij zich verheugt, en haar
588 2, 9 | 9 En de Here is wakker geweest in de straffen,
589 4, 2 | Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting voor het
590 5, 7 | aarde; opdat Israël zeker wandele in de heerlijkheid Gods.~
591 6, 41| alsof het hem mogelijk ware te verstaan, en hoewel zij
592 2, 26| het huis, waarin uw naam was aangeroepen, gemaakt gelijk
593 4, 23| wenen, maar God zal u mij wedergeven met blijdschap en vrolijkheid
594 2, 34| 34 En ik zal hen doen wederkeren in het land dat ik hun vaderen
595 6, 55| 55 Zij wederstaan noch koning, noch vijanden,
596 1, 5 | 5 En zij weenden en vastten, en baden tot
597 3, 21| kinderen zijn ver van haar weggebleven.~
598 5, 6 | uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de vijanden; maar God
599 2, 17| geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen de Here de prijs
600 4, 34| En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte des volks waarover
601 4, 12| van de wet Gods zijn afge weken;~
602 5, 8 | 8 En de bossen, en alle welriekende bomen, zullen Israël beschaduwen,
603 3, 17| waar de mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen
604 1, 7 | hem te Jeruzalem gevonden werd;~
605 6, 23| ook niet als zij gegoten werden.~
606 6, 61| zullen drijven over de gehele wereld, volbrengen hetgeen bevolen
607 6, 50| mensenhanden, en dat geen werk Gods in hen is.~
608 6, 7 | Want hun tong is van de werkmeester wel fijn gesneden, en zij
609 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid,
610 4, 37| verzameld van het oosten tot het westen door het woord des heiligen,
611 2, 15| Opdat de ganse aardbodem wete, dat gij de Here onze God
612 6, 64| 64 Wetende dan dat zij geen goden zijn,
613 1, 10| brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer,
614 6, 45| niets van dan de kunstenaars willen dat zij zijn.~
615 6, 60| zien, en zo waait ook de wind in alle landen.~
616 2, 23| en het gehele land zal woest worden van inwoners.~
617 4, 12| verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de zonden mijner
618 2, 11| en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en
619 3, 24| hoe hoog de plaats zijner woning!~
620 1, 4 | de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij de rivier
621 6, 71| opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot
622 4, 20| vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking aangedaan,
623 6, 17| dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo
624 6, 48| elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen
625 6, 65| de koningen vloeken noch zegenen.~
626 6, 63| moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar
627 1, 10| 10 En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld
628 5, 7 | der aarde; opdat Israël zeker wandele in de heerlijkheid
629 6, 42| de wegen, om rookwerk van zemelen te offeren.~
630 1, 10| En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt met dit
631 3, 33| 33 Die het licht zendt, en het gaat voort; hij
632 6, 2 | tijd blijven, namelijk tot zeven geslachten toe, maar daarna
633 1, 2 | 2 In het vijfde jaar, de zevende dag der maand, op die tijd,
634 6, 6 | is bij u, en hij zal uw zielen onderzoeken.~
635 2, 8 | hebben van de gedachten zijns bozen harten.~
636 6, 46| 46 En zijzelf, die hen gemaakt hebben,
637 6, 69| waar allerlei gevogelte op zit.~
638 6, 15| dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.~
639 4, 28| bekeerd zijnde, hem te zoeken.~
640 6, 25| 25 Zonder voeten zijnde, draagt men
641 6, 13| ombrengen, die tegen hem zondigt.~
642 1, 10| dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt
643 3, 18| zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn, welker geen uitvinding
644 3, 13| God hadt gewandeld, gij zoudt eeuwig met vrede gewoond
645 6, 27| vrouwen leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen,
646 2, 18| de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die
647 6, 35| niet verlossen, noch een zwakke bevrijden van een sterke.~
648 6, 21| hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, desgelijks
649 2, 25| en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger en
650 6, 20| 20 Zij zijn zwart geworden aan hun aangezicht
651 6, 53| die tussen hemel en aarde zweven.~
|