1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287
Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 En het geschiedde, nadat Alexander,
2 1, 1 | Darius de koning der Perzen en Meden geslagen had, en in
3 1, 1 | Perzen en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning
4 1, 2 | vele veldslagen voerde, en sterkten bemachtigde, en
5 1, 2 | en sterkten bemachtigde, en vele koningen der aarde
6 1, 3 | 3 En doortrok tot aan het uiterste
7 1, 3 | het uiterste der aarde, en grote buit verkreeg van
8 1, 3 | van menigte der volken, en dat het land voor hem stil
9 1, 4 | 4 En zijn hart werd zeer verhoogd
10 1, 4 | hart werd zeer verhoogd en verheven.~
11 1, 5 | 5 En hij vergaderde een zeer
12 1, 5 | sterke krijgsmacht bijeen, en veroverde landen, volken,
13 1, 5 | veroverde landen, volken, en heerschappijen; en zij werden
14 1, 5 | volken, en heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.~
15 1, 6 | 6 En na deze viel hij te bed;
16 1, 6 | na deze viel hij te bed; en wetende dat hij sterven
17 1, 7 | aan met hem opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk
18 1, 8 | 8 En Alexander regeerde als koning
19 1, 8 | als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaars
20 1, 8 | twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaars regeerden
21 1, 9 | 9 En nadat hij gestorven was
22 1, 9 | allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;~
23 1, 10| 10 En zij vermenigvuldigden de
24 1, 11| 11 En uit hen is voortgekomen
25 1, 11| Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning
26 1, 12| zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met
27 1, 13| vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed
28 1, 14| 14 En sommigen van het volk waren
29 1, 14| het volk waren volvaardig en trokken naar de koning,
30 1, 14| trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om der
31 1, 15| 15 En zij bouwden te Jeruzalem
32 1, 16| 16 En zij maakten zichzelf voorhuiden,
33 1, 16| maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig
34 1, 16| van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen,
35 1, 16| voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade
36 1, 17| 17 En als het koninkrijk van Antiochus
37 1, 18| 18 En hij kwam in Egypte met een
38 1, 18| grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters, en
39 1, 18| met wapens, en olifanten, en ruiters, en met een grote
40 1, 18| en olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.~
41 1, 19| 19 En hij stelde de krijg aan
42 1, 19| Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs vreesde voor zijn
43 1, 19| vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte.~
44 1, 20| 20 En daar vielen vele gewonden,
45 1, 20| daar vielen vele gewonden, en zij namen in de sterke steden
46 1, 20| in het land van Egypte, en hij kreeg de roof van Egypte.~
47 1, 21| 21 En Antiochus, nadat hij Egypte
48 1, 22| 22 En trok op naar Israël en Jeruzalem,
49 1, 22| 22 En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote
50 1, 23| 23 En hij ging met grote hovaardigheid
51 1, 23| hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en
52 1, 23| en nam het gouden altaar, en de kandelaar des lichts,
53 1, 23| de kandelaar des lichts, en alle gereedschap, en de
54 1, 23| lichts, en alle gereedschap, en de tafel der toonbroden,
55 1, 23| de tafel der toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen,
56 1, 23| toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden
57 1, 23| sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen,
58 1, 23| de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen,
59 1, 23| wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden
60 1, 23| voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat
61 1, 23| in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af.~
62 1, 24| 24 Hij nam het zilver en het goud, en de kostelijke
63 1, 24| het zilver en het goud, en de kostelijke vaten; en
64 1, 24| en de kostelijke vaten; en hij nam ook de verborgen
65 1, 24| schatten, die hij vond, en dit alles genomen hebbende
66 1, 25| 25 En hij liet vele mensen vermoorden,
67 1, 25| vele mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.~
68 1, 26| 26 En daar geschiedde grote rouw
69 1, 27| 27 Want de oversten en ouderlingen zuchtten; de
70 1, 27| ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongelingen werden verzwakt,
71 1, 27| jongelingen werden verzwakt, en de schoonheid der vrouwen
72 1, 28| bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer
73 1, 29| 29 En het land beefde over degenen
74 1, 29| degenen die het bewoonden, en het ganse huis van Jakob
75 1, 30| schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met
76 1, 31| 31 En hij sprak tot hen vreedzame
77 1, 31| vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden hem.~
78 1, 32| 32 En hij viel onvoorzien in de
79 1, 32| viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote
80 1, 32| met een grote nederlaag, en vernielde veel volk in Israël.~
81 1, 33| 33 En hij plunderde de stad, en
82 1, 33| En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur,
83 1, 33| verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen en
84 1, 33| en hij brak haar huizen en muren rondom af;~
85 1, 34| 34 En zij namen de vrouwen en
86 1, 34| En zij namen de vrouwen en kinderen gevangen, en verkregen
87 1, 34| vrouwen en kinderen gevangen, en verkregen al hun vee.~
88 1, 35| 35 En zij bouwden de stad Davids
89 1, 35| Davids op met een grote en sterke muur, en met sterke
90 1, 35| een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze
91 1, 35| muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.~
92 1, 36| 36 En stelden daarin een zondig
93 1, 36| die de wet niet hielden, en werden sterk in dezelve.~
94 1, 37| 37 En brachten daarin wapenen
95 1, 37| brachten daarin wapenen en spijze; en de plundering
96 1, 37| daarin wapenen en spijze; en de plundering van Jeruzalem
97 1, 37| hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote
98 1, 38| 38 En deze burcht was om altoos
99 1, 38| heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël een boos
100 1, 39| 39 En zij vergoten onschuldig
101 1, 39| bloed rondom het heiligdom, en verontreinigden het heiligdom.~
102 1, 40| 40 En de inwoners van Jeruzalem
103 1, 41| 41 En de stad werd een woonplaats
104 1, 41| woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor
105 1, 41| die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten
106 1, 42| sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting.~
107 1, 43| dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd
108 1, 44| 44 En de koning schreef aan zijn
109 1, 44| zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten
110 1, 45| 45 En alle volken namen het aan,
111 1, 46| 46 En velen van Israël hadden
112 1, 46| welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden de afgoden, en
113 1, 46| en offerden de afgoden, en ontheiligden de sabbat.~
114 1, 47| 47 En de koning zond brieven door
115 1, 47| zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda,
116 1, 48| brandoffers, de offerande en het drankoffer uit het heiligdom
117 1, 49| 49 Dat zij de sabbatten en de feestdagen zouden ontheiligen;~
118 1, 50| 50 Dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen ontreinigen
119 1, 51| Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen zouden bouwen,
120 1, 51| afgodshuizen zouden bouwen, en varkens en andere onreine
121 1, 51| zouden bouwen, en varkens en andere onreine beesten slachten.~
122 1, 52| onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk
123 1, 52| maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij
124 1, 52| de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen.~
125 1, 54| aan zijn ganse koninkrijk, en heeft opzieners gemaakt
126 1, 55| 55 En hij beval de steden van
127 1, 56| 56 En velen van het volk vergaderden
128 1, 56| ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in
129 1, 57| 57 En maakten dat Israël zich
130 1, 58| 58 En de vijftiende dag van de
131 1, 58| verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van
132 1, 59| 59 En in de deuren van de huizen,
133 1, 59| de deuren van de huizen, en op de straten offerden zij
134 1, 60| 60 En verbrandden de boeken der
135 1, 61| 61 En waar bij iemand gevonden
136 1, 61| werd het boek des verbonds, en zo iemand de wet toestond,
137 1, 63| 63 En zij offerden de vijfentwintigste
138 1, 64| 64 En de vrouwen, die haar kinderen
139 1, 65| 65 En zij hingen de kleine kinderen
140 1, 65| aan de halzen der moeders, en doodden haar huisgezinnen,
141 1, 65| doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden
142 1, 67| 67 En verkoren liever te sterven,
143 1, 67| heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven.~
144 1, 68| 68 En de toom des konings was
145 2, 1 | kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin.~
146 2, 2 | 2 En hij had vijf zonen, Johannes
147 2, 5 | die genaamd was Auäran, en Jonathan, die genaamd was
148 2, 6 | 6 En hij zag de godslasteringen,
149 2, 6 | godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem geschiedden,~
150 2, 7 | 7 En zeide: Ach mij, waarom ben
151 2, 7 | overlast van mijn volk, en de overlast der heilige
152 2, 7 | overlast der heilige stad, en om daar te zitten, daar
153 2, 9 | heerlijke vaten zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen
154 2, 9 | gedood in haar straten, en haar jongelingen door het
155 2, 10| koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar roof niet gekregen
156 2, 12| 12 En ziet, onze heiligdommen
157 2, 12| ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid, en onze
158 2, 12| heiligdommen en onze schoonheid, en onze heerlijkheid zijn verwoest,
159 2, 12| heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen hebben deze
160 2, 14| 14 En Mattathias en zijn zonen
161 2, 14| 14 En Mattathias en zijn zonen scheurden hun
162 2, 14| scheurden hun klederen, en deden zakken aan, en bedreven
163 2, 14| klederen, en deden zakken aan, en bedreven zeer grote rouw.~
164 2, 15| 15 En daar kwamen enigen van des
165 2, 16| 16 En velen van Israël kwamen
166 2, 16| van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen
167 2, 16| kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook
168 2, 17| 17 En die van des konings wege
169 2, 17| daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias,
170 2, 17| zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot
171 2, 17| overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad,
172 2, 17| groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en
173 2, 17| en zeer sterk van zonen en broeders;~
174 2, 18| komt gij het eerst tot ons, en doe het bevel des konings,
175 2, 18| de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die
176 2, 18| en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten
177 2, 18| Jeruzalem overgelaten zijn, en gij zult, alsook uw huis
178 2, 18| des konings vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt
179 2, 18| konings vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt
180 2, 18| verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele geschenken.~
181 2, 18| worden met zilver en goud, en vele geschenken.~
182 2, 19| 19 En Mattathias antwoordde en
183 2, 19| En Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem:
184 2, 19| volken, die in het huis en koninkrijk des konings zijn,
185 2, 19| godsdienst zijner vaderen, en zijn geboden aannam;~
186 2, 20| 20 Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broeders
187 2, 20| zullen ik en mijn zonen en mijn broeders wandelen in
188 2, 21| wij niet verlaten de wet en de rechten.~
189 2, 23| 23 En als hij ophield deze woorden
190 2, 24| 24 En Mattathias zag dat, en ijverde,
191 2, 24| 24 En Mattathias zag dat, en ijverde, en zijn nieren
192 2, 24| Mattathias zag dat, en ijverde, en zijn nieren beefden, en
193 2, 24| en zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn gelijk
194 2, 24| toorn gelijk het recht is, en toelopende doodde hem op
195 2, 25| 25 En de man des konings, die
196 2, 25| hij ook op dezelfde tijd, en verbrak het altaar.~
197 2, 26| 26 En hij ijverde voor de wet,
198 2, 27| 27 En Mattathias riep uit in de
199 2, 27| die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die
200 2, 28| 28 En hij en zijn zonen vloden
201 2, 28| 28 En hij en zijn zonen vloden naar de
202 2, 28| zonen vloden naar de bergen, en lieten al wat zij hadden
203 2, 29| velen, die de gerechtigheid en het recht zochten, heen
204 2, 30| daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen,
205 2, 30| zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee,
206 2, 30| kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad
207 2, 31| 31 En de mannen des konings, en
208 2, 31| En de mannen des konings, en de krijgsmachten, die te
209 2, 31| de woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.~
210 2, 32| 32 En als zij hen achterhaald
211 2, 32| leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de
212 2, 32| aan op de dag des sabbats, en zeiden tot hen:~
213 2, 33| nog tijd dat gij uitkomt, en doet naar het woord des
214 2, 33| naar het woord des konings, en gij zult het leven behouden.~
215 2, 34| 34 En dezen zeiden: Wij zullen
216 2, 34| Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord des
217 2, 35| 35 En zij haastten met de strijd
218 2, 36| 36 En dezen antwoordden hun niet,
219 2, 36| dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen
220 2, 36| niet een steen tegen hen, en stopten de holen niet toe,
221 2, 37| eenvoudigheid. De hemel en aarde getuigen over ons,
222 2, 38| 38 En zij stonden op tegen hen
223 2, 38| te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen,
224 2, 38| werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun
225 2, 38| zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee,
226 2, 38| huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen
227 2, 39| 39 En Mattathias en zijn vrienden
228 2, 39| 39 En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande,
229 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste:
230 2, 40| broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden
231 2, 40| heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden
232 2, 41| 41 En zij besloten een raad op
233 2, 41| tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven
234 2, 42| die sterk van macht waren, en van Israël een ieder die
235 2, 43| 43 En allen die deze rampen ontvloden
236 2, 43| waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.~
237 2, 44| 44 En zij brachten hun macht te
238 2, 44| brachten hun macht te zamen, en sloegen de zondaren in hun
239 2, 44| de zondaren in hun toorn, en de boze mannen in hun grimmigheid;
240 2, 44| mannen in hun grimmigheid; en de overgeblevenen vloden
241 2, 45| 45 En Mattathias en zijn vrienden
242 2, 45| 45 En Mattathias en zijn vrienden trokken rondom
243 2, 45| vrienden trokken rondom en verbraken hun altaren.~
244 2, 46| 46 En zij besneden met kracht
245 2, 47| 47 En vervolgden de kinderen van
246 2, 47| kinderen van de hoogmoed, en dit werk werd voorspoedig
247 2, 48| uit de hand der heidenen, en uit de hand der koningen,
248 2, 48| uit de hand der koningen, en gaven de hoorn der overwinning
249 2, 49| 49 En als de dagen naderden dat
250 2, 49| is de hoogmoed gevestigd, en de kastijding, en nu is
251 2, 49| gevestigd, en de kastijding, en nu is de tijd der verwoesting,
252 2, 49| de tijd der verwoesting, en de grimmige toorn.~
253 2, 50| kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor het
254 2, 51| gedaan hebben in hun tijden, en gij zult grote heerlijkheid
255 2, 51| heerlijkheid ontvangen, en een eeuwige naam.~
256 2, 52| verzoeking niet getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid
257 2, 53| benauwdheid het gebod gehouden, en werd een heer van Egypte.~
258 2, 61| 61 En overdenkt zo van geslacht
259 2, 61| van geslacht tot geslacht, en dat al degenen die op hem
260 2, 62| 62 En vreest niet voor de woorden
261 2, 62| heerlijkheid zal tot drek en wormen worden.~
262 2, 63| zal hij verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden
263 2, 63| zal wederkeren tot stof, en zijn overleggingen zullen
264 2, 64| 64 En gij, mijn kinderen, wordt
265 2, 64| kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de
266 2, 65| 65 En ziet Simon, uw broeder,
267 2, 66| 66 En Judas Makkabeüs is sterk
268 2, 66| uw krijgsoverste wezen, en gijlieden zult de krijg
269 2, 67| 67 En gij zult tot u brengen allen
270 2, 67| brengen allen die de wet doen, en zult de wraak uws volks
271 2, 68| heidenen de vergelding, en houdt u aan de geboden der
272 2, 69| 69 En hij zegende hen, en werd
273 2, 69| 69 En hij zegende hen, en werd bij zijn vaderen gesteld.~
274 2, 70| 70 En hij stierf in het honderdenzesenveertigste
275 2, 70| honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem
276 2, 70| zijner vaderen in Modin, en het ganse Israël maakte
277 3, 1 | 1 En Judas, die genoemd werd
278 3, 2 | 2 En hem hielpen al zijn broeders,
279 3, 2 | hielpen al zijn broeders, en allen die zijn vader aangehangen
280 3, 2 | vader aangehangen hadden, en voerden de krijg van Israël
281 3, 3 | 3 En hij heeft de eer zijns volks
282 3, 3 | eer zijns volks verbreid; en hij deed zijn pantser aan
283 3, 3 | pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen
284 3, 4 | een leeuw gelijk geworden, en als een jonge leeuw, die
285 3, 5 | 5 En hij, de goddelozen naarstig
286 3, 5 | zoekende, vervolgde hen, en verbrandde degenen, die
287 3, 6 | voor hem zich introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid
288 3, 6 | tezamen beroerd werden, en dat het welging met de behoudenis
289 3, 7 | vele koningen verbitterd, en hij verheugde Jakob in zijn
290 3, 7 | verheugde Jakob in zijn werken, en zijn gedachtenis is in zegening
291 3, 8 | doortrok de steden van Juda, en verdelgde uit haar de goddelozen
292 3, 8 | verdelgde uit haar de goddelozen en keerde de toorn Gods van
293 3, 9 | het uiterste der aarde, en hij vergaderde degenen,
294 3, 10| Apollonius de volken vergaderde, en van Samarië een grote macht,
295 3, 11| 11 En Judas verstond dit, en hem
296 3, 11| 11 En Judas verstond dit, en hem tegemoet trekkende,
297 3, 11| trekkende, heeft hem geslagen en gedood, en vele gewonden
298 3, 11| hem geslagen en gedood, en vele gewonden zijn gevallen,
299 3, 11| gewonden zijn gevallen, en de overigen zijn gevloden.~
300 3, 12| 12 En hij heeft hun buit bekomen,
301 3, 12| heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg het zwaard van
302 3, 12| het zwaard van Apollonius, en hij streed daarmee al zijn
303 3, 13| 13 En Seron, de overste der krijgsmachten
304 3, 13| hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe
305 3, 13| ten strijde uittrokken, en zeide:~
306 3, 14| mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt worden
307 3, 14| worden in het koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas,
308 3, 14| ik zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die
309 3, 14| Judas, en die met hem zijn, en die het woord des konings
310 3, 15| 15 En hij voer voort, en met hem
311 3, 15| 15 En hij voer voort, en met hem trok op een sterk
312 3, 16| 16 En hij naderde tot aan de opgang
313 3, 16| de opgang van Bethoron, en Judas ging hem tegemoet
314 3, 17| 17 En toen zij het leger hun tegemoet
315 3, 17| wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?~
316 3, 18| 18 En Judas zeide: Het is licht
317 3, 18| de handen van weinigen, en daar is geen onderscheid
318 3, 20| een menigte van smaadheid en ongerechtigheid te verdelgen
319 3, 20| ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, en onze
320 3, 20| ons en onze huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons
321 3, 20| huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven.~
322 3, 21| strijden voor onze zielen, en voor onze wetten.~
323 3, 22| 22 En God zal hen vermorzelen
324 3, 23| hij terstond op hen aan, en Seron en zijn leger werd
325 3, 23| terstond op hen aan, en Seron en zijn leger werd door hem
326 3, 24| 24 En zij vervolgden hen in de
327 3, 24| Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn gevallen omtrent
328 3, 24| omtrent achthonderd mannen, en de overigen zijn gevloden
329 3, 25| 25 En de vrees voor Judas en zijn
330 3, 25| 25 En de vrees voor Judas en zijn broederen en een verschrikking
331 3, 25| Judas en zijn broederen en een verschrikking begon
332 3, 26| kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden van
333 3, 27| 27 En toen Antiochus, de koning,
334 3, 27| zijn gemoed zeer toornig, en zond heen en vergaderde
335 3, 27| zeer toornig, en zond heen en vergaderde al de krijgsmachten
336 3, 28| 28 En hij opende zijn schatkamer,
337 3, 28| opende zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten bezoldigingen
338 3, 28| bezoldigingen voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed
339 3, 29| 29 En toen hij zag dat het geld
340 3, 29| in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land
341 3, 29| overmits de tweespalt, en de plaag die hij in het
342 3, 30| 30 En vrezende dat bij niet genoeg
343 3, 30| tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te geven,
344 3, 31| twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen
345 3, 31| om te reizen naar Perzië, en de schattingen van die landen
346 3, 31| die landen te ontvangen, en veel geld te vergaderen.~
347 3, 32| 32 En hij liet Lysias, een geëerd
348 3, 32| Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht,
349 3, 33| 33 En om zijn zoon Antiochus op
350 3, 34| 34 En hij gaf hem over de helft
351 3, 34| van zijn krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf
352 3, 34| krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles
353 3, 34| van de inwoners van Judea en Jeruzalem;~
354 3, 35| van Israël te vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem
355 3, 35| Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis van die
356 3, 36| 36 En dat hij vreemde kinderen
357 3, 36| wonen in al hun landpalen, en dat hij hun land door het
358 3, 37| 37 En de koning nam bij zich de
359 3, 37| krijgsmachten die overig waren, en vertrok van Antiochië, van
360 3, 37| honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan
361 3, 38| de zoon van Dorymenis, en Nicanor, en Gorgias, machtige
362 3, 38| van Dorymenis, en Nicanor, en Gorgias, machtige mannen
363 3, 39| 39 En zond met hen veertigduizend
364 3, 39| hen veertigduizend mannen en zevenduizend ruiters, om
365 3, 39| vallen in het land van Juda, en het te verderven, naar het
366 3, 40| 40 En zij trokken uit met al hun
367 3, 40| trokken uit met al hun macht, en kwamen en legerden zich
368 3, 40| al hun macht, en kwamen en legerden zich nabij Emmanaüs,
369 3, 41| 41 En de kooplieden van die landstreek
370 3, 41| namen zeer veel zilver en goud, en dienstknechten,
371 3, 41| zeer veel zilver en goud, en dienstknechten, en zijn
372 3, 41| goud, en dienstknechten, en zijn in hun leger gekomen,
373 3, 41| dienstknechten te verkrijgen, en de macht van Syrië en van
374 3, 41| verkrijgen, en de macht van Syrië en van het land der vreemdelingen
375 3, 42| 42 Judas en zijn broeders ziende dat
376 3, 42| ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich
377 3, 42| legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de woorden
378 3, 42| het volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een
379 3, 43| vernedering weder oprichten, en laat ons vechten voor ons
380 3, 43| ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.~
381 3, 44| 44 En de vergadering kwam bijeen,
382 3, 44| gereed te zijn tot de strijd, en om te bidden, en barmhartigheid
383 3, 44| strijd, en om te bidden, en barmhartigheid en ontferming
384 3, 44| bidden, en barmhartigheid en ontferming te verzoeken.~
385 3, 45| 45 En daar Jeruzalem onbewoond
386 3, 45| onbewoond was als een woestijn, en daar niemand van degenen,
387 3, 45| waren, in ging of uitging, en het heiligdom vertreden
388 3, 45| heiligdom vertreden werd, en de kinderen der vreemdelingen
389 3, 45| vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats
390 3, 45| daar hun woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen
391 3, 45| weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,~
392 3, 45| was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,~
393 3, 46| 46 Zo zijn zij vergaderd en gekomen te Mizpa, tegenover
394 3, 47| 47 En zij vastten op die dag,
395 3, 47| zij vastten op die dag, en deden zakken aan, en strooiden
396 3, 47| dag, en deden zakken aan, en strooiden as op hun hoofden,
397 3, 47| strooiden as op hun hoofden, en verscheurden hun klederen;~
398 3, 48| 48 En breidden de boeken der wet
399 3, 49| 49 En zij brachten daar de klederen
400 3, 49| klederen des priesterdoms, en de eerstelingen, en de tienden,
401 3, 49| priesterdoms, en de eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten
402 3, 49| eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten de Nazireeën,
403 3, 50| 50 En zij riepen met hun stem
404 3, 50| Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen?~
405 3, 51| Uw heiligdom is vertreden en ontheiligd en uw priesters
406 3, 51| vertreden en ontheiligd en uw priesters zijn in rouw
407 3, 51| uw priesters zijn in rouw en vernedering.~
408 3, 52| 52 En zie, de heidenen zijn tegen
409 3, 54| 54 En zij bliezen de trompetten
410 3, 54| zij bliezen de trompetten en riepen met een grote stem.~
411 3, 55| 55 En na deze stelde Judas oversten
412 3, 55| oversten over duizend, en oversten over honderd, oversten
413 3, 55| oversten over vijftig, en oversten over tien.~
414 3, 56| 56 En zij zeiden tot degenen,
415 3, 56| degenen, die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd
416 3, 56| huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant,
417 3, 56| wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat
418 3, 57| 57 En zo is het leger opgebroken,
419 3, 57| is het leger opgebroken, en zij legerden zich tegen
420 3, 58| 58 En Judas zeide: Omgordt u,
421 3, 58| Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke mannen, en
422 3, 58| en weest sterke mannen, en weest gereed tegen de morgenstond
423 3, 58| ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.~
424 3, 59| de ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~
425 4, 1 | 1 En Gorgias nam tot zich vijfduizend
426 4, 1 | vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen ruiters,
427 4, 1 | duizend uitgelezen ruiters, en dit leger brak op des nachts;~
428 4, 2 | op het leger der Joden, en hen onvoorziens zouden slaan;
429 4, 2 | onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht
430 4, 3 | 3 En Judas, dit horende, brak
431 4, 3 | dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te slaan
432 4, 5 | 5 En Gorgias kwam in het leger
433 4, 5 | leger van Judas des nachts, en vond niemand, en zocht hen
434 4, 5 | nachts, en vond niemand, en zocht hen op de bergen;
435 4, 6 | 6 En zo haast het dag was, is
436 4, 7 | 7 En als zij nu het leger der
437 4, 7 | heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij,
438 4, 7 | sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom
439 4, 7 | ruiterij, die daarom stond, (en deze waren in de krijg wèl
440 4, 8 | Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun
441 4, 10| 10 En nu, laat ons roepen naar
442 4, 10| ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond
443 4, 10| het verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit
444 4, 11| 11 En al de volken zullen verstaan
445 4, 11| één is, die Israël verlost en behoudt.~
446 4, 12| 12 En de vreemde volken hieven
447 4, 12| volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen
448 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger
449 4, 13| hun leger om te strijden, en die bij Judas waren bliezen
450 4, 14| 14 En zij kwamen aan elkander,
451 4, 14| zij kwamen aan elkander, en de heidenen werden geslagen,
452 4, 14| heidenen werden geslagen, en vloden over het vlakke veld.~
453 4, 15| vielen voor het zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth
454 4, 15| hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van
455 4, 15| vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia, en
456 4, 15| Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia, en van hen vielen
457 4, 15| en tot Azote en Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend
458 4, 16| 16 En Judas en zijn krijgsvolk
459 4, 16| 16 En Judas en zijn krijgsvolk keerden
460 4, 17| 17 En hij zeide tot het volk:
461 4, 18| 18 Gorgias en zijn krijgsvolk is op de
462 4, 18| nu tegen onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert
463 4, 18| vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna met
464 4, 20| 20 En zag dat de hunnen in de
465 4, 20| hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in
466 4, 21| 21 En dezen, dit ziende, vreesden
467 4, 21| dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger
468 4, 23| 23 En Judas keerde zich tot de
469 4, 23| plundering van het leger, en zij kregen veel goud en
470 4, 23| en zij kregen veel goud en zilver, en vele klederen
471 4, 23| kregen veel goud en zilver, en vele klederen van hyacintenkleur,
472 4, 23| klederen van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.~
473 4, 23| hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.~
474 4, 24| 24 En wedergekeerd zijnde, zongen
475 4, 24| zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in de
476 4, 25| 25 En op die dag is Israël een
477 4, 26| 26 En zo velen als er uit de vreemdelingen
478 4, 26| behouden waren, gingen heen en boodschapten aan Lysias
479 4, 27| 27 En hij dit horende, werd verslagen,
480 4, 27| horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël
481 4, 27| wat hij gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen,
482 4, 28| 28 En hij vergaderde in het volgende
483 4, 28| zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend ruiters om hen
484 4, 29| 29 En zij, in Idumeä gekomen zijnde,
485 4, 29| legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met
486 4, 30| 30 En hun sterk leger ziende,
487 4, 30| leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij,
488 4, 30| dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen
489 4, 30| Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.~
490 4, 31| hand van uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden
491 4, 31| beschaamd worden in hun macht en paarden.~
492 4, 32| 32 Geef hun versaagdheid, en doe de stoutheid van hun
493 4, 32| van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden
494 4, 33| dergenen, die u liefhebben, en laat allen, die uw naam
495 4, 34| vielen zij op elkander aan, en daar bleven van het leger
496 4, 34| tot vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neder.~
497 4, 35| vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid van Judas'
498 4, 35| leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren
499 4, 35| Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had,
500 4, 36| 36 Judas en zijn broeders zeiden: Ziet
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287 |