Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
nicanor 11
niemand 13
nieren 1
niet 98
niets 2
nieuw 1
nieuwe 3
Frequency    [«  »]
103 is
101 uit
99 des
98 niet
95 hebben
94 daar
94 jonathan

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

niet

   Chapter, Verse
1 1, 36| volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk 2 1, 53| 53 Zo wie niet zou doen naar dit woord 3 1, 66| geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen;~ 4 1, 67| sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de 5 2, 10| is er dat haar koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar 6 2, 10| geërfd, en van haar roof niet gekregen heeft?~ 7 2, 21| ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten.~ 8 2, 22| woord des konings zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden 9 2, 34| dezen zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen 10 2, 34| zullen het woord des konings niet doen, om te ontheiligen 11 2, 36| En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen 12 2, 36| antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en 13 2, 36| hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:~ 14 2, 40| broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de 15 2, 41| ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze 16 2, 48| de hoorn der overwinning niet aan die zondaar.~ 17 2, 52| Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en het 18 2, 61| degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden.~ 19 2, 62| 62 En vreest niet voor de woorden des zondigen 20 2, 63| worden en morgen zal hij niet gevonden worden, want hij 21 3, 17| vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?~ 22 3, 19| overwinning in de krijg bestaat niet in de menigte der macht, 23 3, 22| aangezichten; gij dan wilt hen niet vrezen.~ 24 3, 30| 30 En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben, om nog 25 3, 53| hun aangezicht, zo gij ons niet helpt?~ 26 4, 8 | waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor 27 4, 8 | menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.~ 28 4, 17| Begeert hun plundering niet, want onze bestrijders zijn 29 4, 27| verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij gaarne 30 4, 27| gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk 31 4, 45| te nemen, opdat hij hun niet tot smaadheid worde, daar 32 4, 60| torens, opdat de heidenen niet te eniger tijd zouden komen 33 5, 19| volk, en begint de strijd niet tegen de heidenen, totdat 34 5, 30| daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders 35 5, 40| zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, want hij 36 5, 44| omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht 37 5, 50| gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.~ 38 5, 54| brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat 39 5, 61| 61 Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn 40 5, 62| 62 Doch zij waren niet van het zaad van die mannen, 41 6, 3 | plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak de lieden 42 6, 8 | vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht 43 6, 22| oefenen, en zult onze broeders niet wreken?~ 44 6, 25| strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook 45 6, 27| 27 En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo zullen 46 6, 27| dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.~ 47 6, 36| mee, en weken van hetzelve niet.~ 48 7, 3 | Toont mij hun aangezichten niet.~ 49 7, 11| luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij 50 7, 24| tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.~ 51 7, 25| en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo 52 7, 30| hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.~ 53 7, 35| Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn 54 7, 46| zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.~ 55 9, 9 | zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever 56 9, 10| broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging 57 9, 22| voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren 58 9, 44| zielen, want het is heden niet gelijk gisteren en eergisteren.~ 59 9, 48| zwemmen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen.~ 60 9, 55| werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken, 61 9, 60| grijpen, doch zij konden niet, overmits dat hun raad aan 62 9, 71| hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te 63 9, 73| de goddelozen in Israël niet verschenen.~ ~ 64 10, 26| en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij 65 10, 33| koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen 66 10, 41| overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, 67 10, 46| hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat 68 10, 46| zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten 69 10, 61| Doch de koning lette op hen niet.~ 70 10, 72| dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; 71 10, 73| 73 En nu, gij zult niet kunnen bestaan tegen de 72 11, 41| Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en 73 11, 52| 52 En hij hield niet van hetgeen hij beloofd 74 11, 52| Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die bij 75 11, 69| namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven, 76 12, 9 | 9 Hoewel wij dan dit nu niet van node hebben, als die 77 12, 10| vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden; 78 12, 14| vrienden in deze oorlogen niet willen lastig zijn.~ 79 12, 29| met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want 80 12, 30| achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over 81 12, 36| alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, noch 82 12, 40| Jonathan hem zulks mogelijk niet zou toelaten, en dat hij 83 13, 5 | verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn broeders.~ 84 13, 16| losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen hem 85 13, 17| hij misschien bij het volk niet grote vijandschap op zich 86 13, 18| het geld en de kinderen niet gezonden heeft, zo is zijn 87 13, 19| leugen, en liet Jonathan niet los.~ 88 13, 22| hij trok vanwege de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar 89 13, 46| 46 En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze boosheid, 90 13, 47| over hen, en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad; 91 15, 19| aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen, 92 15, 19| zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch 93 15, 27| 27 En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak 94 15, 31| 31 Zo niet, geef in plaats van die 95 15, 31| vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en 96 15, 33| hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben eens 97 15, 33| hebben eens anders goed niet bemachtigd, maar de erve 98 15, 35| Athenobius antwoordde hem niet een woord;~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License