Chapter, Verse
1 1, 36| volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk
2 1, 53| 53 Zo wie niet zou doen naar dit woord
3 1, 66| geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen;~
4 1, 67| sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de
5 2, 10| is er dat haar koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar
6 2, 10| geërfd, en van haar roof niet gekregen heeft?~
7 2, 21| ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten.~
8 2, 22| woord des konings zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden
9 2, 34| dezen zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen
10 2, 34| zullen het woord des konings niet doen, om te ontheiligen
11 2, 36| En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen
12 2, 36| antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en
13 2, 36| hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:~
14 2, 40| broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de
15 2, 41| ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze
16 2, 48| de hoorn der overwinning niet aan die zondaar.~
17 2, 52| Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en het
18 2, 61| degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden.~
19 2, 62| 62 En vreest niet voor de woorden des zondigen
20 2, 63| worden en morgen zal hij niet gevonden worden, want hij
21 3, 17| vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?~
22 3, 19| overwinning in de krijg bestaat niet in de menigte der macht,
23 3, 22| aangezichten; gij dan wilt hen niet vrezen.~
24 3, 30| 30 En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben, om nog
25 3, 53| hun aangezicht, zo gij ons niet helpt?~
26 4, 8 | waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor
27 4, 8 | menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.~
28 4, 17| Begeert hun plundering niet, want onze bestrijders zijn
29 4, 27| verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij gaarne
30 4, 27| gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk
31 4, 45| te nemen, opdat hij hun niet tot smaadheid worde, daar
32 4, 60| torens, opdat de heidenen niet te eniger tijd zouden komen
33 5, 19| volk, en begint de strijd niet tegen de heidenen, totdat
34 5, 30| daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders
35 5, 40| zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, want hij
36 5, 44| omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht
37 5, 50| gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.~
38 5, 54| brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat
39 5, 61| 61 Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn
40 5, 62| 62 Doch zij waren niet van het zaad van die mannen,
41 6, 3 | plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak de lieden
42 6, 8 | vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht
43 6, 22| oefenen, en zult onze broeders niet wreken?~
44 6, 25| strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook
45 6, 27| 27 En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo zullen
46 6, 27| dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.~
47 6, 36| mee, en weken van hetzelve niet.~
48 7, 3 | Toont mij hun aangezichten niet.~
49 7, 11| luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij
50 7, 24| tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.~
51 7, 25| en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo
52 7, 30| hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.~
53 7, 35| Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn
54 7, 46| zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.~
55 9, 9 | zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever
56 9, 10| broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging
57 9, 22| voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren
58 9, 44| zielen, want het is heden niet gelijk gisteren en eergisteren.~
59 9, 48| zwemmen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen.~
60 9, 55| werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken,
61 9, 60| grijpen, doch zij konden niet, overmits dat hun raad aan
62 9, 71| hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te
63 9, 73| de goddelozen in Israël niet verschenen.~ ~
64 10, 26| en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij
65 10, 33| koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen
66 10, 41| overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften,
67 10, 46| hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat
68 10, 46| zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten
69 10, 61| Doch de koning lette op hen niet.~
70 10, 72| dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan;
71 10, 73| 73 En nu, gij zult niet kunnen bestaan tegen de
72 11, 41| Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en
73 11, 52| 52 En hij hield niet van hetgeen hij beloofd
74 11, 52| Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die bij
75 11, 69| namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven,
76 12, 9 | 9 Hoewel wij dan dit nu niet van node hebben, als die
77 12, 10| vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden;
78 12, 14| vrienden in deze oorlogen niet willen lastig zijn.~
79 12, 29| met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want
80 12, 30| achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over
81 12, 36| alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, noch
82 12, 40| Jonathan hem zulks mogelijk niet zou toelaten, en dat hij
83 13, 5 | verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn broeders.~
84 13, 16| losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen hem
85 13, 17| hij misschien bij het volk niet grote vijandschap op zich
86 13, 18| het geld en de kinderen niet gezonden heeft, zo is zijn
87 13, 19| leugen, en liet Jonathan niet los.~
88 13, 22| hij trok vanwege de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar
89 13, 46| 46 En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze boosheid,
90 13, 47| over hen, en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad;
91 15, 19| aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen,
92 15, 19| zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch
93 15, 27| 27 En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak
94 15, 31| 31 Zo niet, geef in plaats van die
95 15, 31| vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en
96 15, 33| hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben eens
97 15, 33| hebben eens anders goed niet bemachtigd, maar de erve
98 15, 35| Athenobius antwoordde hem niet een woord;~
|