Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
haven 1
heb 11
hebbe 1
hebben 95
hebbende 23
hebt 22
heden 5
Frequency    [«  »]
101 uit
99 des
98 niet
95 hebben
94 daar
94 jonathan
92 zo

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

hebben

   Chapter, Verse
1 1, 13| van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. 2 2, 12| verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd.~ 3 2, 18| gelijk al de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, 4 2, 32| hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen 5 2, 39| vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen 6 2, 40| gelijk onze broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden 7 2, 51| vaderen, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden, en gij zult 8 2, 59| Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden.~ 9 3, 17| en deze dag niet gegeten hebben?~ 10 3, 30| dat bij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal 11 3, 34| alles wat hij wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van 12 4, 41| heiligdom zou gereinigd hebben.~ 13 4, 61| het volk een sterkte zou hebben tegen Idumeä.~ ~ 14 5, 13| waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen genomen, 15 5, 13| kinderen, en hun huisraad, en hebben daar vernield omtrent duizend 16 5, 39| om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over 17 6, 13| deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote 18 6, 23| 23 Wij hebben goed gevonden uw vader te 19 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen 20 6, 26| heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt.~ 21 6, 57| 57 Zo hebben zij zich zeer gehaast en 22 6, 59| wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden, 23 6, 59| zij toornig geworden, en hebben al deze dingen gedaan.~ 24 7, 5 | wilde het hogepriesterschap hebben.~ 25 7, 6 | Judas en zijn broeders hebben al uw vrienden vernield, 26 7, 6 | uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~ 27 7, 7 | allen, die hem geholpen hebben, straffe.~ 28 7, 17| 17 Zij hebben het vlees uwer heiligen, 29 7, 18| recht onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die 30 7, 38| geef hun geen verblijf te hebben.~ 31 7, 42| tegen uw heiligdom kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem 32 8, 10| geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun sterkten 33 8, 20| en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat 34 8, 24| gemeenschap der wapenen met hen hebben, in hun gebied,~ 35 8, 31| Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, 36 9, 16| rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas 37 9, 30| 30 Nu dan wij hebben u heden uitverkoren om onze 38 9, 45| 45 Want ziet, wij hebben de oorlog voor ons en achter 39 10, 5 | dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broeders, 40 10, 19| 19 Wij hebben van u gehoord, dat gij een 41 10, 23| 23 Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander 42 10, 26| vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover 43 10, 35| 35 Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, 44 10, 41| overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, 45 10, 43| wat zij in mijn koninkrijk hebben.~ 46 11, 31| brief, die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, 47 11, 32| 32 Wij hebben voorgenomen aan het volk 48 11, 33| 33 Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen 49 11, 57| en om een gouden gesp te hebben.~ 50 11, 65| zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij 51 12, 3 | hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden, om weder voor 52 12, 9 | dan dit nu niet van node hebben, als die tot onze troost 53 12, 9 | als die tot onze troost hebben de heilige boeken, die in 54 12, 10| 10 Zo hebben wij nochtans ons onderwonden 55 12, 10| vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen, opdat 56 12, 14| 14 Wij hebben dan ulieden en onze andere 57 12, 15| 15 Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons 58 12, 16| 16 Zo hebben wij dan verkoren Numenius, 59 12, 16| Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen, 60 12, 17| 17 En wij hebben hun gelast, dat zij ook 61 12, 19| die zij aan Onias gezonden hebben;~ 62 12, 22| wij deze dingen verstaan hebben, zo zult gij wel doen, dat 63 12, 23| hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen 64 12, 23| wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen gelast, dat zij 65 12, 54| 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; 66 13, 3 | huis mijns vaders gedaan hebben voor de wetten en voor het 67 13, 3 | benauwdheden, die wij gezien hebben.~ 68 13, 37| die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn 69 13, 38| 38 Al wat wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de 70 14, 21| ons volk zijn afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid 71 14, 22| 22 En wij hebben geschreven hetgeen zij gezegd 72 14, 22| geschreven hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, 73 14, 26| broeders, en zijn vaders huis, hebben Israël bevestigd, en hebben 74 14, 26| hebben Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten 75 14, 26| en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; 76 14, 29| zijn broeders, zichzelf hebben begeven in bezwaar, en de 77 14, 29| de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun 78 14, 29| volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt.~ 79 14, 42| sterkten opzicht zouden hebben.~ 80 14, 45| deze dingen iets zal gedaan hebben, of iets zal teniet gedaan 81 14, 45| of iets zal teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn.~ 82 14, 49| zijn zonen dat zouden mogen hebben.~ ~ 83 15, 3 | van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het 84 15, 4 | het koninkrijk verwoest hebben, moge bekomen~ 85 15, 5 | vrijdommen, die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij 86 15, 5 | die zij u kwijtgescholden hebben.~ 87 15, 9 | koninkrijk zullen bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw 88 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een schild 89 15, 20| 20 En wij hebben goedgevonden van hen het 90 15, 33| antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van een ander niet 91 15, 33| ander niet ingenomen, en hebben eens anders goed niet bemachtigd, 92 15, 34| 34 En wij hebben gelegenheid gekregen, en 93 15, 35| Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk een grote 94 16, 2 | en het huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd 95 16, 2 | handen dikwijls verlost hebben.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License