Chapter, Verse
1 1, 13| van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen.
2 2, 12| verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd.~
3 2, 18| gelijk al de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda,
4 2, 32| hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen
5 2, 39| vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen
6 2, 40| gelijk onze broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden
7 2, 51| vaderen, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden, en gij zult
8 2, 59| Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden.~
9 3, 17| en deze dag niet gegeten hebben?~
10 3, 30| dat bij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal
11 3, 34| alles wat hij wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van
12 4, 41| heiligdom zou gereinigd hebben.~
13 4, 61| het volk een sterkte zou hebben tegen Idumeä.~ ~
14 5, 13| waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen genomen,
15 5, 13| kinderen, en hun huisraad, en hebben daar vernield omtrent duizend
16 5, 39| om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over
17 6, 13| deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote
18 6, 23| 23 Wij hebben goed gevonden uw vader te
19 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen
20 6, 26| heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt.~
21 6, 57| 57 Zo hebben zij zich zeer gehaast en
22 6, 59| wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden,
23 6, 59| zij toornig geworden, en hebben al deze dingen gedaan.~
24 7, 5 | wilde het hogepriesterschap hebben.~
25 7, 6 | Judas en zijn broeders hebben al uw vrienden vernield,
26 7, 6 | uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~
27 7, 7 | allen, die hem geholpen hebben, straffe.~
28 7, 17| 17 Zij hebben het vlees uwer heiligen,
29 7, 18| recht onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die
30 7, 38| geef hun geen verblijf te hebben.~
31 7, 42| tegen uw heiligdom kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem
32 8, 10| geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun sterkten
33 8, 20| en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat
34 8, 24| gemeenschap der wapenen met hen hebben, in hun gebied,~
35 8, 31| Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven,
36 9, 16| rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas
37 9, 30| 30 Nu dan wij hebben u heden uitverkoren om onze
38 9, 45| 45 Want ziet, wij hebben de oorlog voor ons en achter
39 10, 5 | dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broeders,
40 10, 19| 19 Wij hebben van u gehoord, dat gij een
41 10, 23| 23 Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander
42 10, 26| vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover
43 10, 35| 35 Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen,
44 10, 41| overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften,
45 10, 43| wat zij in mijn koninkrijk hebben.~
46 11, 31| brief, die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef,
47 11, 32| 32 Wij hebben voorgenomen aan het volk
48 11, 33| 33 Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen
49 11, 57| en om een gouden gesp te hebben.~
50 11, 65| zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij
51 12, 3 | hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden, om weder voor
52 12, 9 | dan dit nu niet van node hebben, als die tot onze troost
53 12, 9 | als die tot onze troost hebben de heilige boeken, die in
54 12, 10| 10 Zo hebben wij nochtans ons onderwonden
55 12, 10| vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen, opdat
56 12, 14| 14 Wij hebben dan ulieden en onze andere
57 12, 15| 15 Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons
58 12, 16| 16 Zo hebben wij dan verkoren Numenius,
59 12, 16| Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen,
60 12, 17| 17 En wij hebben hun gelast, dat zij ook
61 12, 19| die zij aan Onias gezonden hebben;~
62 12, 22| wij deze dingen verstaan hebben, zo zult gij wel doen, dat
63 12, 23| hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen
64 12, 23| wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen gelast, dat zij
65 12, 54| 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper;
66 13, 3 | huis mijns vaders gedaan hebben voor de wetten en voor het
67 13, 3 | benauwdheden, die wij gezien hebben.~
68 13, 37| die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn
69 13, 38| 38 Al wat wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de
70 14, 21| ons volk zijn afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid
71 14, 22| 22 En wij hebben geschreven hetgeen zij gezegd
72 14, 22| geschreven hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk,
73 14, 26| broeders, en zijn vaders huis, hebben Israël bevestigd, en hebben
74 14, 26| hebben Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten
75 14, 26| en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld;
76 14, 29| zijn broeders, zichzelf hebben begeven in bezwaar, en de
77 14, 29| de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun
78 14, 29| volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt.~
79 14, 42| sterkten opzicht zouden hebben.~
80 14, 45| deze dingen iets zal gedaan hebben, of iets zal teniet gedaan
81 14, 45| of iets zal teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn.~
82 14, 49| zijn zonen dat zouden mogen hebben.~ ~
83 15, 3 | van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het
84 15, 4 | het koninkrijk verwoest hebben, moge bekomen~
85 15, 5 | vrijdommen, die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij
86 15, 5 | die zij u kwijtgescholden hebben.~
87 15, 9 | koninkrijk zullen bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw
88 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een schild
89 15, 20| 20 En wij hebben goedgevonden van hen het
90 15, 33| antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van een ander niet
91 15, 33| ander niet ingenomen, en hebben eens anders goed niet bemachtigd,
92 15, 34| 34 En wij hebben gelegenheid gekregen, en
93 15, 35| Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk een grote
94 16, 2 | en het huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd
95 16, 2 | handen dikwijls verlost hebben.~
|