Chapter, Verse
1 2, 5 | die genaamd was Auäran, en Jonathan, die genaamd was Sapfus.~
2 4, 30| gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van
3 5, 17| doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galaäditis trekken.~
4 5, 24| Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder, trokken over
5 5, 55| die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon,
6 9, 19| 19 En Jonathan en Simon namen Judas, hun
7 9, 28| bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:~
8 9, 31| 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid
9 9, 33| 33 En Jonathan en zijn broeder Simon, en
10 9, 35| 35 En Jonathan zond zijn broeder, die overste
11 9, 37| En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt,
12 9, 44| 44 En Jonathan zeide tot degenen die met
13 9, 47| En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om
14 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen
15 9, 58| hielden raad, en zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen
16 9, 60| medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden
17 9, 62| 62 En Jonathan, en Simon, en die met hen
18 9, 65| 65 En Jonathan liet zijn broeder Simon
19 9, 70| 70 En Jonathan dit verstaande, zond tot
20 9, 73| het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen in Michmas; en
21 9, 73| ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk te richten,
22 10, 3 | 3 En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden,
23 10, 7 | 7 En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij
24 10, 9 | gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan
25 10, 10| 10 En Jonathan woonde te Jeruzalem, en
26 10, 15| beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem
27 10, 18| Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.~
28 10, 21| 21 En Jonathan trok de heilige rok aan
29 10, 46| 46 Als nu Jonathan en het volk deze woorden
30 10, 59| koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.~
31 10, 62| de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken,
32 10, 66| 66 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem
33 10, 69| zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:~
34 10, 74| 74 Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius
35 10, 76| vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe.~
36 10, 79| 79 En Jonathan vervolgde hem van achteren
37 10, 81| 81 En Jonathan vernam dat achter hem een
38 10, 81| het volk stond stil gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden
39 10, 84| 84 En Jonathan verbrandde Azote en al de
40 10, 86| 86 En Jonathan trok vandaar op, en legerde
41 10, 87| 87 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem,
42 10, 88| had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.~
43 11, 4 | de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog.
44 11, 5 | vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem veracht
45 11, 6 | 6 En Jonathan kwam de koning tegemoet
46 11, 7 | 7 En Jonathan reisde met de koning tot
47 11, 20| In die dagen vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht
48 11, 21| en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.~
49 11, 22| Ptolomaïs, en schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou
50 11, 23| 23 Hetwelk Jonathan, verstaan hebbende, beval
51 11, 28| 28 En Jonathan verzocht de koning dat hij
52 11, 29| goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen,
53 11, 30| Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden,
54 11, 36| gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld worden
55 11, 40| 40 En Jonathan zond brieven tot de koning
56 11, 41| 41 En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen
57 11, 43| 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië
58 11, 52| had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet
59 11, 56| jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u
60 11, 59| 59 En Jonathan trok uit, en reisde over
61 11, 61| 61 En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand,
62 11, 62| 62 Jonathan, horende dat de oversten
63 11, 66| 66 Doch Jonathan legerde zich met zijn leger
64 11, 69| 69 En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht,
65 11, 70| 70 En Jonathan verscheurde zijn klederen,
66 11, 73| tot drieduizend man, en Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.~ ~
67 12, 1 | 1 Jonathan ziende dat de gelegenheid
68 12, 3 | kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het
69 12, 5 | afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft aan de
70 12, 6 | 6 Jonathan de hogepriester, en de raad
71 12, 24| 24 En Jonathan, horende dat de oversten
72 12, 27| ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem
73 12, 28| de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot
74 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten
75 12, 30| 30 En Jonathan vervolgde hen achterna,
76 12, 31| 31 En Jonathan week heen naar de Arabieren
77 12, 35| 35 En Jonathan keerde weder, en riep de
78 12, 40| 40 En vrezende, dat Jonathan hem zulks mogelijk niet
79 12, 41| kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend
80 12, 44| 44 En hij sprak Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij
81 12, 48| 48 Maar zodra Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen,
82 12, 49| verdelgen allen, die met Jonathan waren geweest.~
83 12, 52| land van Juda, en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest,
84 13, 8 | in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.~
85 13, 11| 11 En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en
86 13, 12| land van Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.~
87 13, 14| plaats van zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou
88 13, 15| Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan gevangen, om het geld dat
89 13, 19| hem met leugen, en liet Jonathan niet los.~
90 13, 23| Bascama naderde, doodde hij Jonathan, en hij werd daar begraven.~
91 13, 25| beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te
92 14, 16| en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer
93 14, 18| gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.~
94 14, 30| 30 Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en
|