Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
joarib 1
joden 37
johannes 13
jonathan 94
jonge 4
jongelingen 3
jonkheid 2
Frequency    [«  »]
98 niet
95 hebben
94 daar
94 jonathan
92 zo
90 wij
87 judas

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

jonathan

   Chapter, Verse
1 2, 5 | die genaamd was Auäran, en Jonathan, die genaamd was Sapfus.~ 2 4, 30| gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van 3 5, 17| doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galaäditis trekken.~ 4 5, 24| Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder, trokken over 5 5, 55| die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon, 6 9, 19| 19 En Jonathan en Simon namen Judas, hun 7 9, 28| bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:~ 8 9, 31| 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid 9 9, 33| 33 En Jonathan en zijn broeder Simon, en 10 9, 35| 35 En Jonathan zond zijn broeder, die overste 11 9, 37| En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, 12 9, 44| 44 En Jonathan zeide tot degenen die met 13 9, 47| En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om 14 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen 15 9, 58| hielden raad, en zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen 16 9, 60| medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden 17 9, 62| 62 En Jonathan, en Simon, en die met hen 18 9, 65| 65 En Jonathan liet zijn broeder Simon 19 9, 70| 70 En Jonathan dit verstaande, zond tot 20 9, 73| het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen in Michmas; en 21 9, 73| ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, 22 10, 3 | 3 En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, 23 10, 7 | 7 En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij 24 10, 9 | gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan 25 10, 10| 10 En Jonathan woonde te Jeruzalem, en 26 10, 15| beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem 27 10, 18| Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.~ 28 10, 21| 21 En Jonathan trok de heilige rok aan 29 10, 46| 46 Als nu Jonathan en het volk deze woorden 30 10, 59| koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.~ 31 10, 62| de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken, 32 10, 66| 66 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem 33 10, 69| zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:~ 34 10, 74| 74 Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius 35 10, 76| vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe.~ 36 10, 79| 79 En Jonathan vervolgde hem van achteren 37 10, 81| 81 En Jonathan vernam dat achter hem een 38 10, 81| het volk stond stil gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden 39 10, 84| 84 En Jonathan verbrandde Azote en al de 40 10, 86| 86 En Jonathan trok vandaar op, en legerde 41 10, 87| 87 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, 42 10, 88| had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.~ 43 11, 4 | de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. 44 11, 5 | vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem veracht 45 11, 6 | 6 En Jonathan kwam de koning tegemoet 46 11, 7 | 7 En Jonathan reisde met de koning tot 47 11, 20| In die dagen vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht 48 11, 21| en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.~ 49 11, 22| Ptolomaïs, en schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou 50 11, 23| 23 Hetwelk Jonathan, verstaan hebbende, beval 51 11, 28| 28 En Jonathan verzocht de koning dat hij 52 11, 29| goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen, 53 11, 30| Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, 54 11, 36| gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld worden 55 11, 40| 40 En Jonathan zond brieven tot de koning 56 11, 41| 41 En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen 57 11, 43| 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië 58 11, 52| had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet 59 11, 56| jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u 60 11, 59| 59 En Jonathan trok uit, en reisde over 61 11, 61| 61 En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, 62 11, 62| 62 Jonathan, horende dat de oversten 63 11, 66| 66 Doch Jonathan legerde zich met zijn leger 64 11, 69| 69 En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, 65 11, 70| 70 En Jonathan verscheurde zijn klederen, 66 11, 73| tot drieduizend man, en Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.~ ~ 67 12, 1 | 1 Jonathan ziende dat de gelegenheid 68 12, 3 | kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het 69 12, 5 | afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft aan de 70 12, 6 | 6 Jonathan de hogepriester, en de raad 71 12, 24| 24 En Jonathan, horende dat de oversten 72 12, 27| ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem 73 12, 28| de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot 74 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten 75 12, 30| 30 En Jonathan vervolgde hen achterna, 76 12, 31| 31 En Jonathan week heen naar de Arabieren 77 12, 35| 35 En Jonathan keerde weder, en riep de 78 12, 40| 40 En vrezende, dat Jonathan hem zulks mogelijk niet 79 12, 41| kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend 80 12, 44| 44 En hij sprak Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij 81 12, 48| 48 Maar zodra Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen, 82 12, 49| verdelgen allen, die met Jonathan waren geweest.~ 83 12, 52| land van Juda, en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, 84 13, 8 | in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.~ 85 13, 11| 11 En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en 86 13, 12| land van Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.~ 87 13, 14| plaats van zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou 88 13, 15| Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan gevangen, om het geld dat 89 13, 19| hem met leugen, en liet Jonathan niet los.~ 90 13, 23| Bascama naderde, doodde hij Jonathan, en hij werd daar begraven.~ 91 13, 25| beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te 92 14, 16| en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer 93 14, 18| gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.~ 94 14, 30| 30 Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License