Chapter, Verse
1 1, 13| Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn,
2 2, 13| 13 Waarom zouden wij nog willen leven?~
3 2, 21| wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en
4 2, 22| woord des konings zullen wij niet horen, dat wij zouden
5 2, 22| zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden onze godsdienst
6 2, 34| 34 En dezen zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en
7 2, 34| zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord des konings
8 2, 40| tot zijn naaste: Indien wij allen zouden doen, gelijk
9 2, 40| broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen
10 3, 17| zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen
11 3, 17| zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze
12 3, 21| 21 Doch wij strijden voor onze zielen,
13 3, 50| hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen
14 3, 50| dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen?~
15 3, 53| 53 Hoe zullen wij kunnen bestaan voor hun
16 3, 59| 59 Want het is beter dat wij in de strijd sterven, dan
17 3, 59| strijd sterven, dan dat wij zouden aanzien de ellenden
18 5, 11| nemen de sterkte, waarin wij gevloden zijn, en Timotheüs
19 5, 19| tegen de heidenen, totdat wij zullen wedergekeerd zijn.~
20 5, 40| overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan,
21 5, 40| veel machtiger zijn dan wij.~
22 5, 41| over de rivier, zo zullen wij overtrekken tot hem, en
23 5, 41| overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn.~
24 5, 50| ulieden enig kwaad doen, wij zullen alleen te voet daardoor
25 6, 23| 23 Wij hebben goed gevonden uw
26 6, 57| krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze
27 6, 57| weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij
28 6, 57| wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het
29 6, 59| om hunner wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn zij
30 7, 15| en zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden, en onze
31 8, 20| ons tot u gezonden, opdat wij met ulieden gemeenschap
32 8, 20| maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden
33 8, 31| Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende:
34 8, 32| hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen
35 9, 8 | tegen onze vijanden, of wij hen mochten slaan.~
36 9, 9 | hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen,
37 9, 9 | zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij
38 9, 9 | wij tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn?~
39 9, 30| 30 Nu dan wij hebben u heden uitverkoren
40 9, 45| 45 Want ziet, wij hebben de oorlog voor ons
41 10, 5 | gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben,
42 10, 16| 16 Zo zeide hij: Zouden wij ook een zodanige man vinden?
43 10, 19| 19 Wij hebben van u gehoord, dat
44 10, 20| 20 En nu wij stellen u op deze dag tot
45 10, 23| 23 Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander
46 10, 26| niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover
47 10, 27| gij ons trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden
48 10, 28| 28 Wij zullen u vele lasten kwijtschelden,
49 10, 53| door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon
50 10, 56| tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkander mogen zien, en
51 11, 31| afschrift van de brief, die wij geschreven hebben aan Lasthenes,
52 11, 31| van ulieden, schrijven wij ook aan u, opdat gij het
53 11, 32| 32 Wij hebben voorgenomen aan het
54 11, 33| 33 Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen
55 11, 34| al deze dingen vergunnen wij hun, van nu af.~
56 12, 9 | 9 Hoewel wij dan dit nu niet van node
57 12, 10| 10 Zo hebben wij nochtans ons onderwonden
58 12, 10| broederschap en vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen,
59 12, 10| weder te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd
60 12, 11| 11 Wij dan zullen in alle gelegenheid
61 12, 11| dagen, in de ófferanden die wij offeren, en ook in onze
62 12, 12| 12 En wij verheugen ons ook over uw
63 12, 14| 14 Wij hebben dan ulieden en onze
64 12, 15| 15 Want wij hebben hulp uit de hemel,
65 12, 15| die ons te hulp komt, en wij zijn verlost van onze vijanden,
66 12, 16| 16 Zo hebben wij dan verkoren Numenius, Antiochus'
67 12, 17| 17 En wij hebben hun gelast, dat zij
68 12, 22| 22 En nu nadat wij deze dingen verstaan hebben,
69 12, 23| 23 En wij schrijven u weder, uw vee
70 12, 23| hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben
71 12, 23| al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen gelast,
72 13, 3 | en de benauwdheden, die wij gezien hebben.~
73 13, 9 | Voer gij onze oorlog, en wij zullen alles doen wat gij
74 13, 15| 15 Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan
75 13, 16| van ons niet afvalle, en wij zullen hem loslaten.~
76 13, 37| mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid
77 13, 37| hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te
78 13, 38| 38 Al wat wij u beloofd hebben, dat zal
79 13, 39| 39 Wij schelden u kwijt de mishandelingen
80 14, 21| heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd geweest over
81 14, 22| 22 En wij hebben geschreven hetgeen
82 14, 25| zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen
83 15, 9 | 9 En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd
84 15, 9 | bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel,
85 15, 20| 20 En wij hebben goedgevonden van
86 15, 31| talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.~
87 15, 33| antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van een
88 15, 34| 34 En wij hebben gelegenheid gekregen,
89 15, 35| ons land, nochtans zullen wij voor deze geven honderd
90 16, 2 | het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen
|