Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
jozefus 2
jozua 1
juda 28
judas 87
judea 28
juk 3
kades 2
Frequency    [«  »]
94 jonathan
92 zo
90 wij
87 judas
86 over
83 stad
78 voor

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

judas

   Chapter, Verse
1 2, 4 | 4 Judas, die genaamd was Makkabeüs,~ 2 2, 66| 66 En Judas Makkabeüs is sterk van kracht, 3 3, 1 | 1 En Judas, die genoemd werd Makkabeüs, 4 3, 11| 11 En Judas verstond dit, en hem tegemoet 5 3, 12| heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg het zwaard van Apollonius, 6 3, 13| krijgsmachten van Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering 7 3, 14| koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en 8 3, 16| opgang van Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig 9 3, 17| zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo 10 3, 18| 18 En Judas zeide: Het is licht dat 11 3, 25| 25 En de vrees voor Judas en zijn broederen en een 12 3, 26| verhaalden van de veldslagen van Judas.~ 13 3, 42| 42 Judas en zijn broeders ziende 14 3, 55| 55 En na deze stelde Judas oversten des volks, oversten 15 3, 58| 58 En Judas zeide: Omgordt u, en weest 16 4, 3 | 3 En Judas, dit horende, brak op, hij 17 4, 5 | Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en vond niemand, 18 4, 6 | zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld 19 4, 8 | 8 Zo zeide Judas tot de mannen die met hem 20 4, 13| te strijden, en die bij Judas waren bliezen de trompetten.~ 21 4, 16| 16 En Judas en zijn krijgsvolk keerden 22 4, 19| 19 Als Judas dit nog voleindde te zeggen, 23 4, 21| ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed 24 4, 23| 23 En Judas keerde zich tot de plundering 25 4, 29| legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend 26 4, 35| slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond was, 27 4, 36| 36 Judas en zijn broeders zeiden: 28 4, 41| 41 Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden 29 4, 59| 59 En Judas met zijn broeders, en de 30 5, 3 | 3 Waarom Judas de kinderen van Ezau in 31 5, 10| Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:~ 32 5, 16| 16 Als nu Judas en het volk deze woorden 33 5, 17| 17 En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: 34 5, 20| naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend man om te trekken 35 5, 24| 24 En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, 36 5, 28| 28 Daarom keerde Judas weder met zijn leger de 37 5, 31| 31 En Judas zag dat de strijd was aangevangen, 38 5, 38| 38 En Judas zond om het leger te verspieden; 39 5, 39| komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.~ 40 5, 40| van zijn krijgsvolk, toen Judas naderde, en zijn leger bij 41 5, 42| 42 Als nu Judas nabij de beek des waters 42 5, 44| voor het aangezicht van Judas.~ 43 5, 45| 45 En Judas vergaderde al de Israëlieten, 44 5, 49| 49 En Judas zond tot hen, zeggende met 45 5, 51| 51 En Judas gebood dat men in het leger 46 5, 53| 53 En Judas, leidende de achtersten, 47 5, 55| 55 En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, 48 5, 61| Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broeders, menende 49 5, 63| 63 En Judas en zijn broeders zijn zeer 50 5, 65| 65 En Judas en zijn broeders trokken 51 5, 68| 68 En Judas week naar Azote, in het 52 6, 19| 19 Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, 53 6, 32| 32 En Judas brak op van de burcht en 54 6, 42| 42 En Judas en zijn leger naderden om 55 7, 6 | bij de koning, zeggende: Judas en zijn broeders hebben 56 7, 10| Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broeders, vreedzame 57 7, 23| 23 En Judas, als hij zag al de boosheid, 58 7, 25| En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de 59 7, 27| grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog 60 7, 29| 29 En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander 61 7, 29| vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen.~ 62 7, 30| 30 En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog 63 7, 35| gramschap, zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt 64 7, 40| 40 En Judas legerde zich in Adasa met 65 7, 40| met drieduizend man, en Judas bad God, en zeide:~ 66 8, 1 | 1 En Judas hoorde de naam der Romeinen, 67 8, 17| 17 En Judas verkoos Eupolemus, de zoon 68 8, 20| 20 Judas Makkabeüs en zijn broeders 69 9, 5 | 5 En Judas was gelegerd te Eleasa, 70 9, 7 | 7 Judas dan, ziende dat zijn leger 71 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre van 72 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen ook zelf de 73 9, 14| 14 En Judas zag dat Bacchides, en het 74 9, 16| hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren 75 9, 18| 18 En Judas viel ook, en de overigen 76 9, 19| Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven 77 9, 22| overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en 78 9, 23| geschiedde na de dood van Judas, dat alle verbrekers der 79 9, 26| zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en 80 9, 28| Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden 81 9, 29| 29 Van dat uw broeder Judas gestorven is, is geen man 82 11, 69| de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten 83 13, 8 | onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.~ 84 14, 18| die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.~ 85 16, 2 | zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot 86 16, 9 | 9 Toen werd Judas, de broeder van Johannes, 87 16, 14| zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License