Chapter, Verse
1 2, 4 | 4 Judas, die genaamd was Makkabeüs,~
2 2, 66| 66 En Judas Makkabeüs is sterk van kracht,
3 3, 1 | 1 En Judas, die genoemd werd Makkabeüs,
4 3, 11| 11 En Judas verstond dit, en hem tegemoet
5 3, 12| heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg het zwaard van Apollonius,
6 3, 13| krijgsmachten van Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering
7 3, 14| koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en
8 3, 16| opgang van Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig
9 3, 17| zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo
10 3, 18| 18 En Judas zeide: Het is licht dat
11 3, 25| 25 En de vrees voor Judas en zijn broederen en een
12 3, 26| verhaalden van de veldslagen van Judas.~
13 3, 42| 42 Judas en zijn broeders ziende
14 3, 55| 55 En na deze stelde Judas oversten des volks, oversten
15 3, 58| 58 En Judas zeide: Omgordt u, en weest
16 4, 3 | 3 En Judas, dit horende, brak op, hij
17 4, 5 | Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en vond niemand,
18 4, 6 | zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld
19 4, 8 | 8 Zo zeide Judas tot de mannen die met hem
20 4, 13| te strijden, en die bij Judas waren bliezen de trompetten.~
21 4, 16| 16 En Judas en zijn krijgsvolk keerden
22 4, 19| 19 Als Judas dit nog voleindde te zeggen,
23 4, 21| ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed
24 4, 23| 23 En Judas keerde zich tot de plundering
25 4, 29| legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend
26 4, 35| slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond was,
27 4, 36| 36 Judas en zijn broeders zeiden:
28 4, 41| 41 Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden
29 4, 59| 59 En Judas met zijn broeders, en de
30 5, 3 | 3 Waarom Judas de kinderen van Ezau in
31 5, 10| Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:~
32 5, 16| 16 Als nu Judas en het volk deze woorden
33 5, 17| 17 En Judas zeide tot Simon, zijn broeder:
34 5, 20| naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend man om te trekken
35 5, 24| 24 En Judas de Makkabeeër, en Jonathan,
36 5, 28| 28 Daarom keerde Judas weder met zijn leger de
37 5, 31| 31 En Judas zag dat de strijd was aangevangen,
38 5, 38| 38 En Judas zond om het leger te verspieden;
39 5, 39| komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.~
40 5, 40| van zijn krijgsvolk, toen Judas naderde, en zijn leger bij
41 5, 42| 42 Als nu Judas nabij de beek des waters
42 5, 44| voor het aangezicht van Judas.~
43 5, 45| 45 En Judas vergaderde al de Israëlieten,
44 5, 49| 49 En Judas zond tot hen, zeggende met
45 5, 51| 51 En Judas gebood dat men in het leger
46 5, 53| 53 En Judas, leidende de achtersten,
47 5, 55| 55 En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren,
48 5, 61| Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broeders, menende
49 5, 63| 63 En Judas en zijn broeders zijn zeer
50 5, 65| 65 En Judas en zijn broeders trokken
51 5, 68| 68 En Judas week naar Azote, in het
52 6, 19| 19 Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen,
53 6, 32| 32 En Judas brak op van de burcht en
54 6, 42| 42 En Judas en zijn leger naderden om
55 7, 6 | bij de koning, zeggende: Judas en zijn broeders hebben
56 7, 10| Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broeders, vreedzame
57 7, 23| 23 En Judas, als hij zag al de boosheid,
58 7, 25| En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de
59 7, 27| grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog
60 7, 29| 29 En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander
61 7, 29| vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen.~
62 7, 30| 30 En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog
63 7, 35| gramschap, zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt
64 7, 40| 40 En Judas legerde zich in Adasa met
65 7, 40| met drieduizend man, en Judas bad God, en zeide:~
66 8, 1 | 1 En Judas hoorde de naam der Romeinen,
67 8, 17| 17 En Judas verkoos Eupolemus, de zoon
68 8, 20| 20 Judas Makkabeüs en zijn broeders
69 9, 5 | 5 En Judas was gelegerd te Eleasa,
70 9, 7 | 7 Judas dan, ziende dat zijn leger
71 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre van
72 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen ook zelf de
73 9, 14| 14 En Judas zag dat Bacchides, en het
74 9, 16| hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren
75 9, 18| 18 En Judas viel ook, en de overigen
76 9, 19| Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven
77 9, 22| overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en
78 9, 23| geschiedde na de dood van Judas, dat alle verbrekers der
79 9, 26| zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en
80 9, 28| Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden
81 9, 29| 29 Van dat uw broeder Judas gestorven is, is geen man
82 11, 69| de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten
83 13, 8 | onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.~
84 14, 18| die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.~
85 16, 2 | zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot
86 16, 9 | 9 Toen werd Judas, de broeder van Johannes,
87 16, 14| zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste
|