Chapter, Verse
1 1, 32| hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote
2 1, 33| 33 En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur,
3 1, 35| 35 En zij bouwden de stad Davids op met een grote
4 1, 41| 41 En de stad werd een woonplaats van
5 1, 41| vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar
6 1, 55| dat zij offeren zouden van stad tot stad.~
7 1, 55| offeren zouden van stad tot stad.~
8 2, 7 | de overlast der heilige stad, en om daar te zitten, daar
9 2, 15| des konings wege, in de stad Modin, die de lieden dwongen
10 2, 17| en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen
11 2, 27| Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, zeggende:
12 2, 28| al wat zij hadden in de stad.~
13 2, 31| die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt
14 3, 37| Antiochië, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig;
15 5, 28| Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk
16 5, 28| roof en verbrandde deze stad met vuur.~
17 5, 31| aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe,
18 5, 44| 44 En zij namen de stad in, en zij staken het bos
19 5, 44| die daarin waren. En de stad Karnaïn werd omgekeerd,
20 5, 46| Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang des lands,
21 5, 47| 47 Zo sloten die van de stad hen buiten,~
22 5, 51| legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele
23 5, 51| en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.~
24 5, 52| des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid, en plunderde
25 5, 52| haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En
26 5, 59| zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen
27 6, 1 | Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom,
28 6, 3 | hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen,
29 6, 3 | deze zaak de lieden van die stad bekend werd.~
30 6, 7 | muren, en Bethsura, zijn stad.~
31 6, 49| waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht
32 6, 49| leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en
33 6, 63| daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij krijgde
34 6, 63| krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~
35 7, 1 | met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde
36 7, 32| mannen, en zij vloden in de stad Davids.~
37 8, 28| schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, en zij
38 9, 52| 52 En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara,
39 9, 62| afgebroken was, en maakte de stad sterk.~
40 9, 65| zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het
41 9, 67| waren, uitgevallen uit de stad, en verbrandde de instrumenten
42 10, 10| Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.~
43 10, 39| 39 De stad Ptolomaïs, en het land daartoe
44 10, 63| hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen,
45 10, 75| en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van
46 10, 76| 76 En die van de stad, vrezende, deden open en
47 10, 86| tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet
48 10, 89| worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen
49 11, 3 | kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk tot bezetting.~
50 11, 44| 44 En die van de stad vergaderden in het midden
51 11, 44| vergaderden in het midden van de stad, omtrent honderdentwintigduizend
52 11, 45| koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen der stad
53 11, 45| stad namen de toegangen der stad in, en begonnen hem te bestrijden.~
54 11, 46| verstrooiden zich door de stad.~
55 11, 47| 47 En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend
56 11, 47| honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen
57 11, 48| 48 En die van de stad ziende dat de Joden de stad
58 11, 48| stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden, gelijk
59 11, 49| Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.~
60 11, 55| beesten, en bemachtigde de stad van Antiochië.~
61 11, 59| tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.~
62 11, 64| Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield haar
63 11, 65| verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting
64 12, 36| midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden,
65 12, 36| en de stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen
66 12, 37| En zij vergaderden om de stad op te bouwen, en hij kwam
67 12, 45| en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten,
68 13, 10| bouwen, en hij versterkte de stad rondom.~
69 13, 25| begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.~
70 13, 43| Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte een
71 13, 43| stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren,
72 13, 44| waren sprongen uit in de stad, en daar geschiedde een
73 13, 44| een grote beroerte in de stad.~
74 13, 45| 45 En die van de stad kwamen op de muren met vrouwen
75 13, 47| niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen
76 13, 47| waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende en dankende.~
77 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten wensen Simon,
78 14, 36| weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren te Jeruzalem;
79 14, 37| verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren van
80 15, 11| vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~
81 15, 14| 14 En hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de
82 15, 14| te zamen, en benauwde de stad te land en ter zee, en liet
83 16, 10| Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand, en van
|