Chapter, Verse
1 1, 3 | volken, en dat het land voor hem stil was.~
2 1, 13| dit woord dacht hun goed voor hun ogen.~
3 1, 17| was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte,
4 1, 19| Egypte; en Ptolomeüs vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte.~
5 1, 41| en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren
6 2, 23| kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren
7 2, 26| 26 En hij ijverde voor de wet, gelijk eertijds
8 2, 27| zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt,
9 2, 40| strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten,
10 2, 40| heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden
11 2, 50| dan mijn kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen
12 2, 50| de wet en stelt uw zielen voor het verbond uwer vaderen.~
13 2, 58| Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is
14 2, 62| 62 En vreest niet voor de woorden des zondigen
15 3, 6 | de goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat
16 3, 18| daar is geen onderscheid voor de hemel, te behouden door
17 3, 21| 21 Doch wij strijden voor onze zielen, en voor onze
18 3, 21| strijden voor onze zielen, en voor onze wetten.~
19 3, 22| God zal hen vermorzelen voor onze aangezichten; gij dan
20 3, 25| 25 En de vrees voor Judas en zijn broederen
21 3, 28| krijgsmachten bezoldigingen voor een jaar, en gebood hun
22 3, 43| oprichten, en laat ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.~
23 3, 43| vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.~
24 3, 46| gebeds tevoren te Mizpa voor Israël was geweest.~
25 3, 53| zullen wij kunnen bestaan voor hun aangezicht, zo gij ons
26 4, 5 | zeide hij, deze vlieden voor ons.~
27 4, 8 | niet, en schroomt u niet voor hun aanval.~
28 4, 10| zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.~
29 4, 15| Maar al de laatsten vielen voor het zwaard, en zij vervolgden
30 4, 34| vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neder.~
31 5, 7 | veldslagen, en vermorzelde hen voor zijn aangezicht, en sloeg
32 5, 16| beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de
33 5, 21| vermorzelde de heidenen voor zijn aangezicht, en hij
34 5, 32| 32 Strijdt deze dag voor uw broeders.~
35 5, 34| Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht; en hij
36 5, 43| heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij
37 5, 44| konden niet meer bestaan voor het aangezicht van Judas.~
38 5, 63| broeders zijn zeer verheerlijkt voor het ganse Israël, en al
39 6, 6 | voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht
40 6, 18| doen, en een sterkte waren voor de heidenen;~
41 6, 19| 19 Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde
42 7, 18| 18 En een vreze voor hen, en een beving viel
43 7, 33| tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.~
44 7, 36| in de tempel, en stonden voor het altaar en de tempel,
45 7, 42| dan alzo dit leger heden voor ons, opdat de overgeblevenen
46 8, 12| allen, die hun naam hoorden, voor hen vreesden;~
47 8, 16| vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen
48 8, 21| deze rede was aangenaam voor hen.~
49 9, 10| een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden; zo onze
50 9, 11| vochten hadden de voortocht voor het krijgsvolk, en al de
51 9, 44| ons nu opstaan, en vechten voor onze zielen, want het is
52 9, 45| ziet, wij hebben de oorlog voor ons en achter ons, en het
53 10, 7 | en hij las deze brieven voor de oren van al het volk,
54 10, 27| u alles goeds vergelden voor hetgeen gij ons doet.~
55 10, 34| vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen
56 10, 72| u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan;
57 11, 26| hadden de koningen, die voor hem waren geweest, en hij
58 11, 37| Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat
59 11, 51| koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.~
60 12, 3 | hebben ons gezonden, om weder voor hen te vernieuwen de vriendschap
61 13, 3 | mijns vaders gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom,
62 13, 3 | hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen
63 13, 6 | 6 Maar ik zal wraak doen voor mijn volk, en voor het heiligdom,
64 13, 6 | doen voor mijn volk, en voor het heiligdom, en voor uw
65 13, 6 | en voor het heiligdom, en voor uw vrouwen en kinderen;
66 13, 28| ene recht over de andere, voor zijn vader, zijn moeder,
67 13, 43| bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de
68 14, 19| deze brieven werden gelezen voor de ganse gemeente te Jeruzalem.
69 14, 23| rede stellen in de boeken, voor ons volk daartoe verordineerd,
70 14, 32| opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte
71 14, 32| geld, en bestelde wapenen voor de mannen der krijgsmacht
72 15, 5 | hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en al
73 15, 6 | een eigen munt moogt slaan voor uw land.~
74 15, 31| vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee
75 15, 31| waarmee gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen,
76 15, 35| land, nochtans zullen wij voor deze geven honderd talenten;
77 16, 3 | en trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit
78 16, 17| ontrouw en vergold kwaad voor goed.~
|