Chapter, Verse
1 2, 17| tot Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde,
2 2, 18| 18 Nu dan, komt gij het eerst tot ons, en doe
3 2, 18| Jeruzalem overgelaten zijn, en gij zult, alsook uw huis van
4 2, 18| konings vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt
5 2, 33| 33 Het is nog tijd dat gij uitkomt, en doet naar het
6 2, 33| het woord des konings, en gij zult het leven behouden.~
7 2, 37| aarde getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte ombrengt.~
8 2, 51| hebben in hun tijden, en gij zult grote heerlijkheid
9 2, 64| 64 En gij, mijn kinderen, wordt gesterkt,
10 2, 64| als mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt
11 2, 67| 67 En gij zult tot u brengen allen
12 3, 22| voor onze aangezichten; gij dan wilt hen niet vrezen.~
13 3, 52| vergaderd om ons te vernielen. Gij weet wat zij tegen ons denken.~
14 3, 53| voor hun aangezicht, zo gij ons niet helpt?~
15 4, 30| en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van Israël,
16 4, 30| o behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige
17 6, 22| 22 Hoe lang zult gij geen recht oefenen, en zult
18 6, 27| 27 En indien gij hun niet haastig voorkomt,
19 6, 27| dingen doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.~
20 7, 7 | Zend dan nu een man, die gij vertrouwt, die daar heenreizende,
21 7, 37| 37 Here, gij hebt dit huis uitverkoren,
22 8, 31| geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze
23 9, 46| tot God in de hemel, dat gij uit de handen der vijanden
24 10, 19| hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt in
25 10, 19| zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt om onze vriend
26 10, 20| gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat
27 10, 20| het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.~
28 10, 26| 26 Dat gij de verbonden met ons hebt
29 10, 27| nu blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij
30 10, 27| goeds vergelden voor hetgeen gij ons doet.~
31 10, 30| dag af en voortaan, opdat gij die ontvangt van het land
32 10, 54| vriendschap maken, en geef gij nu uw dochter mij ten huwelijk,
33 10, 55| Gelukkig is de dag, waarop gij zijt wedergekeerd in het
34 10, 56| nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven hebt; doch kom
35 10, 56| schoonzoon nemen, gelijk gij gezegd hebt.~
36 10, 70| 70 Zult gij alleen u verheffen tegen
37 10, 70| smaadheid geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons in
38 10, 71| 71 Nu dan, indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht,
39 10, 73| 73 En nu, gij zult niet kunnen bestaan
40 11, 9 | die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het
41 11, 31| schrijven wij ook aan u, opdat gij het moogt zien.~
42 11, 42| 42 Gij zult dan nu wel doen, dat
43 11, 42| zult dan nu wel doen, dat gij mij mannen zendt, die mij
44 11, 56| de vier streken, en dat gij een van de vrienden des
45 12, 7 | koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk
46 12, 10| tijd tussen gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.~
47 12, 18| 18 En voorts zult gij wel doen, dat gij ons hierop
48 12, 18| voorts zult gij wel doen, dat gij ons hierop antwoordt.~
49 12, 22| verstaan hebben, zo zult gij wel doen, dat gij ons schrijft
50 12, 22| zo zult gij wel doen, dat gij ons schrijft van uw welstand.~
51 12, 23| weder, uw vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat
52 12, 44| Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij al dit volk zo gekweld,
53 13, 3 | vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet zelf, wat ik en mijn
54 13, 8 | een grote stem zeggende: Gij zijt onze overste, in plaats
55 13, 9 | 9 Voer gij onze oorlog, en wij zullen
56 13, 9 | wij zullen alles doen wat gij ons zult zeggen.~
57 13, 37| bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben
58 13, 38| zijn, en de sterkten, die gij gebouwd hebt, zullen uwe
59 13, 39| heden, en de kroongelden die gij schuldig zijt; en zo er
60 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een eigen munt moogt slaan
61 15, 7 | zijn, en al de wapenen, die gij bereid hebt, en de sterkten,
62 15, 7 | hebt, en de sterkten, die gij gebouwd en die gij nu hebt,
63 15, 7 | die gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen uwe
64 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig zijt,
65 15, 29| 29 Gij hebt de landpalen daarvan
66 15, 29| grote plaag gebracht, en gij hebt vele plaatsen vermeesterd
67 15, 30| weder over de steden, die gij ingenomen hebt, en de tollen
68 15, 30| tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd hebt op de grenzen,
69 15, 31| de verwoesting, waarmee gij verwoest hebt, en voor de
70 15, 35| aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die hebben onder het
71 16, 3 | ben nu oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren
72 16, 3 | der barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders
|