Chapter, Verse
1 2, 32| achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij
2 3, 3 | leverde vele veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende.~
3 3, 15| met hem trok op een sterk leger van goddelozen, om hem te
4 3, 17| 17 En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen,
5 3, 23| hen aan, en Seron en zijn leger werd door hem vermorzeld.~
6 3, 27| koninkrijk, een zeer sterk leger.~
7 3, 41| dienstknechten, en zijn in hun leger gekomen, om de kinderen
8 3, 57| 57 En zo is het leger opgebroken, en zij legerden
9 4, 1 | uitgelezen ruiters, en dit leger brak op des nachts;~
10 4, 2 | zij vallen zouden op het leger der Joden, en hen onvoorziens
11 4, 4 | nog verstrooid was van het leger.~
12 4, 5 | 5 En Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en
13 4, 7 | 7 En als zij nu het leger der heidenen zagen, dat
14 4, 10| hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.~
15 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger om te strijden, en die bij
16 4, 20| waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken,
17 4, 21| zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke
18 4, 23| tot de plundering van het leger, en zij kregen veel goud
19 4, 30| 30 En hun sterk leger ziende, bad hij God, en
20 4, 30| David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven
21 4, 31| 31 Besluit dit leger in de hand van uw volk Israël,
22 4, 34| en daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend
23 4, 35| de stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe
24 4, 35| vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende,
25 4, 37| 37 En het ganse leger werd vergaderd, en zij gingen
26 5, 11| en Timotheüs voert hun leger aan.~
27 5, 28| keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn
28 5, 34| 34 En het leger van Timotheüs ontdekte dat
29 5, 37| vergaderde Timotheüs een ander leger, en legerde zich tegenover
30 5, 38| 38 En Judas zond om het leger te verspieden; en zij boodschapten
31 5, 39| helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek,
32 5, 40| toen Judas naderde, en zijn leger bij de beek des waters:
33 5, 41| hij zal vrezen, en zijn leger opslaan over de rivier,
34 5, 45| huisraad, een zeer groot leger, om te komen in het land
35 5, 51| Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder
36 6, 26| zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de burcht
37 6, 32| Bethzacharia tegenover het leger des konings.~
38 6, 33| vroeg, en verplaatste het leger; het in grote haast brengende
39 6, 33| van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde om te vechten,
40 6, 38| aan de twee delen van het leger, ter weerszijden, bewegende
41 6, 40| een deel van des konings leger werd uitgebreid tot de hoge
42 6, 41| wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.~
43 6, 42| 42 En Judas en zijn leger naderden om te slaan, en
44 6, 42| daar vielen van des konings leger zeshonderd mannen.~
45 6, 48| 48 En die van des konings leger waren, trokken hen tegemoet
46 6, 48| en de koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg
47 6, 51| 51 En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele
48 7, 35| zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd
49 7, 38| deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard
50 7, 42| 42 Vermorzel dan alzo dit leger heden voor ons, opdat de
51 7, 43| dag der maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld,
52 7, 44| 44 Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood was,
53 9, 3 | honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op.~
54 9, 6 | velen liepen weg uit het leger, zodat er uit hen maar achthonderd
55 9, 7 | Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de
56 9, 11| van Bacchides op uit hun leger, en stond tegen hen, en
57 9, 14| en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren,
58 10, 49| begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht,
59 10, 53| gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen is, en
60 10, 77| dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters
61 10, 81| en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen
62 11, 66| Jonathan legerde zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth,
63 11, 67| 67 En ziet, het leger der vreemden ontmoette hem
64 11, 72| hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich
65 12, 26| zond verspieders in zijn leger, die, wedergekeerd zijnde,
66 12, 27| buitenwachten rondom het leger.~
67 12, 28| en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.~
68 13, 20| Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle
69 13, 43| dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde
70 14, 3 | Deze trok heen en sloeg het leger van Demetrius, en hij kreeg
71 16, 8 | blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen,
|