Chapter, Verse
1 2, 3 | 3 Simon, die genaamd was Thassi,~
2 2, 65| 65 En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat
3 5, 17| 17 En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u
4 5, 20| 20 En Simon werden toegedeeld drieduizend
5 5, 21| 21 En Simon trok naar Galilea, en hij
6 5, 55| Jonathan in Galaäd waren, en Simon, zijn broeder, in Galilea
7 9, 19| 19 En Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder,
8 9, 33| Jonathan en zijn broeder Simon, en allen die met hem waren,
9 9, 37| Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, dat de kinderen
10 9, 62| 62 En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken
11 9, 65| Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok
12 9, 67| 67 Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen
13 10, 74| en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette
14 10, 82| 82 En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht
15 11, 58| hij stelde zijn broeder Simon tot een overste van de gewesten
16 11, 63| getrokken; en liet zijn broeder Simon in het land.~
17 11, 64| 64 En Simon belegerde Bethsura, en hij
18 12, 33| 33 En Simon toog uit, en doortrok het
19 12, 38| 38 En Simon bouwde Adida in Sefala,
20 13, 1 | 1 En Simon, horende dat Tryfon een
21 13, 13| 13 Simon nu legerde zich in Adidis,
22 13, 14| Tryfon, verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats
23 13, 17| 17 En Simon, hoewel hij wist dat zij
24 13, 20| het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem
25 13, 25| 25 En Simon, enigen zendende, nam de
26 13, 27| 27 En Simon bouwde over het graf van
27 13, 33| 33 En Simon bouwde de sterkten van Judea
28 13, 34| 34 En Simon verkoor enige mannen, die
29 13, 36| Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend der koningen,
30 13, 42| In het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was,
31 13, 43| 43 In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en
32 13, 45| een grote stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand
33 13, 47| 47 En Simon liet zich bewegen over hen,
34 13, 50| 50 En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand
35 13, 54| 54 Simon, ziende dat zijn zoon Johannes
36 14, 4 | in rust al de dagen van Simon, want hij zocht het welvaren
37 14, 17| 17 En horende, dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats
38 14, 20| stad der Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de
39 14, 23| hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester.~
40 14, 24| 24 Na deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende
41 14, 25| Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?~
42 14, 27| zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester was.~
43 14, 29| 29 Dat Simon, de zoon van Mattathias,
44 14, 32| 32 Zo is dan Simon opgestaan, en oorloogde
45 14, 35| volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die
46 14, 37| En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te wonen,
47 14, 40| dat zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan
48 14, 41| priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester
49 14, 46| volk, te bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou
50 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij vond
51 14, 49| worden in de schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden
52 15, 1 | de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste
53 15, 2 | De koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste,
54 15, 17| der wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door
55 15, 21| zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat
56 15, 24| daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.~
57 15, 26| 26 En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen
58 15, 32| zag de heerlijkheid van Simon, zijn bekerkas, met zijn
59 15, 33| 33 En Simon, antwoordende, zeide tot
60 15, 36| ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had;
61 16, 1 | en verhaalde zijn vader Simon, wat Cendebeüs uitrichtte.~
62 16, 2 | 2 En Simon riep zijn twee oudste zonen,
63 16, 13| wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om
64 16, 14| 14 En Simon was trekkende door de steden
65 16, 16| 16 En als Simon en zijn zonen wel gedronken
66 16, 16| nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden
|