Chapter, Verse
1 1, 46| 46 En velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn
2 1, 60| nadat zij ze verscheurd hadden.~
3 1, 65| degenen die hen besneden hadden.~
4 2, 28| bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.~
5 2, 31| die het gebod des konings hadden verbroken, in de holen in
6 2, 32| als zij hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen
7 3, 2 | die zijn vader aangehangen hadden, en voerden de krijg van
8 3, 45| heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen
9 3, 49| Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.~
10 3, 56| eerst huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant,
11 3, 56| getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig
12 4, 6 | drieduizend man; doch zij hadden geen deksels noch zwaarden,
13 4, 20| Joden het leger in brand hadden gestoken, want de rook,
14 4, 45| daar de heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar
15 4, 53| brandoffers, dat zij gemaakt hadden;~
16 4, 54| heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd,
17 4, 60| gelijk zij tevoren gedaan hadden.~
18 5, 3 | zij Israël als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een
19 5, 4 | zij hun op de wegen lagen hadden gelegd;~
20 5, 23| kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen in Judea
21 5, 27| waren; en dat zij geboden hadden zich des anderen daags te
22 5, 56| oorlogen die zij uitgericht hadden, en zeiden:~
23 6, 6 | veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen
24 6, 6 | legers, die zij geslagen hadden;~
25 6, 7 | 7 En dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het
26 6, 7 | gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en
27 6, 7 | heiligdom, gelijk het eerst was, hadden omringd met hoge muren,
28 6, 35| koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen
29 6, 49| daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten
30 6, 53| 53 En zij hadden geen eetwaren in hun vaten,
31 6, 53| in Judea gevloden waren, hadden het overige, dat weggelegd
32 7, 17| rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef.~
33 7, 18| de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.~
34 8, 2 | mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat
35 8, 2 | en dat zij hen overwonnen hadden, en hen onder schatting
36 8, 2 | en hen onder schatting hadden gebracht.~
37 8, 3 | 3 En wat zij gedaan hadden in het land van Spanje,
38 8, 3 | en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd door hun goede
39 8, 4 | totdat zij hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag
40 8, 5 | vermorzeld en hen overwonnen hadden;~
41 8, 7 | zij hem levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen
42 8, 7 | hem koningen zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote schatting
43 8, 8 | de koning Eumenes gegeven hadden.~
44 8, 9 | Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen,
45 8, 10| krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden
46 8, 10| hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten
47 8, 10| hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag
48 8, 11| en tot slavernij gebracht hadden;~
49 8, 12| verre waren, bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam
50 8, 15| dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks
51 9, 1 | krijgsvolk de oorlog gevoerd hadden, zo voer hij voort Bacchides
52 9, 11| slingers en met bogen vochten hadden de voortocht voor het krijgsvolk,
53 9, 69| mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou
54 10, 14| wet en de geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.~
55 10, 15| gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en
56 10, 15| arbeid, die zij uitgestaan hadden.~
57 11, 4 | had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in
58 11, 26| deed hem, gelijk hem gedaan hadden de koningen, die voor hem
59 11, 48| Joden de stad bemachtigd hadden, gelijk zij wilden, zijn
60 12, 26| dat zij het zo geschikt hadden, om hen des nachts te overvallen.~
61 14, 18| vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn
62 14, 22| vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~
63 14, 34| waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar
64 14, 36| die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit zij uitvallende
65 16, 14| bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho,
66 16, 16| zijn zonen wel gedronken hadden, stond Ptolomeüs op, en
|