Chapter, Verse
1 2, 11| tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~
2 2, 18| 18 Nu dan, komt gij het eerst
3 2, 40| rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.~
4 2, 49| zeide hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd,
5 2, 49| gevestigd, en de kastijding, en nu is de tijd der verwoesting,
6 2, 50| 50 Nu dan mijn kinderen, ijvert
7 3, 38| 38 Lysias nu verkoor Ptolomeüs, de zoon
8 4, 7 | 7 En als zij nu het leger der heidenen zagen,
9 4, 10| 10 En nu, laat ons roepen naar de
10 4, 18| berg nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en
11 4, 35| 35 Lysias nu, ziende de vlucht van zijn
12 5, 12| 12 Komt dan nu, en verlost ons van hun
13 5, 16| 16 Als nu Judas en het volk deze woorden
14 5, 42| 42 Als nu Judas nabij de beek des
15 6, 11| een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren
16 6, 12| 12 Maar nu gedenk ik aan het kwaad
17 6, 18| 18 Toen nu degenen die op de burcht
18 6, 58| 58 Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand
19 7, 7 | 7 Zend dan nu een man, die gij vertrouwt,
20 7, 35| Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd
21 7, 44| 44 Als nu zijn leger zag dat Nicanor
22 9, 9 | onze zielen behouden, keert nu weder, want onze broeders
23 9, 30| 30 Nu dan wij hebben u heden uitverkoren
24 9, 44| met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor
25 9, 46| 46 Roept dan nu tot God in de hemel, dat
26 9, 58| zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en
27 10, 16| man vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken,
28 10, 20| 20 En nu wij stellen u op deze dag
29 10, 27| 27 En nu blijft nog daarin, dat gij
30 10, 29| 29 En nu stel ik u vrij, en ik ontsla,
31 10, 41| jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken
32 10, 46| 46 Als nu Jonathan en het volk deze
33 10, 54| 54 Laat ons dan nu met elkander vriendschap
34 10, 54| vriendschap maken, en geef gij nu uw dochter mij ten huwelijk,
35 10, 56| 56 En nu ik zal u doen hetgeen gij
36 10, 71| 71 Nu dan, indien gij u vertrouwt
37 10, 73| 73 En nu, gij zult niet kunnen bestaan
38 10, 74| 74 Als nu Jonathan deze woorden van
39 11, 3 | 3 En als Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde
40 11, 8 | 8 De koning Ptolomeüs nu, de heerschappij verkregen
41 11, 34| dingen vergunnen wij hun, van nu af.~
42 11, 35| ding van deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet
43 11, 36| 36 Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze
44 11, 42| 42 Gij zult dan nu wel doen, dat gij mij mannen
45 12, 9 | 9 Hoewel wij dan dit nu niet van node hebben, als
46 12, 22| 22 En nu nadat wij deze dingen verstaan
47 12, 27| 27 Als nu de zon 'ondergegaan was,
48 12, 45| 45 Nu dan zend dezen weder naar
49 12, 54| noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en laat
50 13, 5 | 5 En nu het zij verre van mij, dat
51 13, 13| 13 Simon nu legerde zich in Adidis,
52 13, 16| 16 Zend dan nu honderd talenten zilver,
53 13, 54| ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was,
54 14, 25| 25 Als nu het volk deze zaken hoorde,
55 14, 45| 45 Zo daar nu iemand tegen deze dingen
56 15, 5 | 5 Nu dan ik bevestig u al de
57 15, 7 | die gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen uwe blijven.~
58 15, 8 | zij u kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.~
59 15, 30| 30 Nu dan geeft weder over de
60 15, 37| 37 Tryfon nu begaf zich in een schip,
61 16, 3 | 3 Maar ik ben nu oud geworden, en gij zijt
62 16, 3 | oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam
63 16, 23| 23 Hetgeen nu Johannes verder gedaan heeft,
|