Chapter, Verse
1 2, 7 | zeide: Ach mij, waarom ben ik daartoe geboren, om te zien
2 2, 20| 20 Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broeders
3 2, 65| ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man van
4 3, 14| 14 Ik zal mijzelf een naam maken,
5 3, 14| worden in het koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en
6 5, 17| daar in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan
7 5, 50| 50 Ik zal maar door uw land doortrekken
8 6, 11| 11 En ik heb gezegd in mijn hart:
9 6, 11| wat een verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een
10 6, 11| een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren
11 6, 11| waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en bemind ware
12 6, 12| 12 Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in
13 6, 12| gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan;
14 6, 12| Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren
15 6, 12| waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de inwoners
16 6, 13| 13 Ik beken dat om dezer dingen
17 6, 13| getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote droefheid
18 7, 28| zijn tussen mij en ulieden. Ik zal komen met weinig mannen,
19 7, 28| met weinig mannen, opdat ik uw aangezichten mag zien
20 7, 35| zal het geschieden, indien ik met vrede wederkere, dat
21 7, 35| met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden.
22 9, 10| Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen,
23 9, 10| zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden; zo
24 10, 24| 24 Ik zal ook aan hen schrijven
25 10, 29| 29 En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u
26 10, 29| En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al
27 10, 30| helft der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla
28 10, 30| behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan,
29 10, 32| 32 Ik geef ook de macht van de
30 10, 33| mijn ganse koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen
31 10, 39| daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem,
32 10, 40| 40 En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend
33 10, 52| 52 Dewijl ik wedergekeerd ben in het
34 10, 54| dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn,
35 10, 54| zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken
36 10, 56| 56 En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven
37 10, 56| elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon
38 10, 70| verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot
39 10, 72| Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn
40 11, 9 | elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven
41 11, 10| Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb gegeven,
42 11, 41| aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen
43 11, 41| doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid
44 11, 41| ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen.~
45 11, 56| aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap,
46 12, 45| herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad
47 12, 45| inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken,
48 12, 45| om dezer oorzaak wil ben ik hier.~
49 13, 3 | hen: Gij weet zelf, wat ik en mijn broeders, en het
50 13, 4 | omgekomen, om Israëls wil, en ik alleen ben overgebleven.~
51 13, 5 | het zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou sparen in
52 13, 5 | tijd der verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn
53 13, 6 | 6 Maar ik zal wraak doen voor mijn
54 15, 3 | bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te
55 15, 4 | 4 En ik wil in het land komen, opdat
56 15, 4 | in het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven,
57 15, 5 | 5 Nu dan ik bevestig u al de vrijdommen,
58 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een
59 16, 2 | Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het
60 16, 3 | 3 Maar ik ben nu oud geworden, en
|