Chapter, Verse
1 2, 18| zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt worden met
2 2, 20| 20 Zo zullen ik en mijn zonen en mijn
3 2, 22| 22 Het woord des konings zullen wij niet horen, dat wij
4 2, 34| 34 En dezen zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen
5 2, 34| zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord des konings niet
6 2, 61| degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden.~
7 2, 63| stof, en zijn overleggingen zullen vergaan.~
8 3, 17| zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn,
9 3, 50| de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar
10 3, 50| wij dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen?~
11 3, 53| 53 Hoe zullen wij kunnen bestaan voor
12 4, 11| 11 En al de volken zullen verstaan dat er één is,
13 5, 17| en mijn broeder Jonathan zullen in Galaäditis trekken.~
14 5, 19| de heidenen, totdat wij zullen wedergekeerd zijn.~
15 5, 40| zal overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen
16 5, 41| opslaan over de rivier, zo zullen wij overtrekken tot hem,
17 5, 41| overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn.~
18 5, 50| ulieden enig kwaad doen, wij zullen alleen te voet daardoor
19 6, 27| niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen
20 7, 15| zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden, en onze vrienden
21 8, 26| 26 En zij zullen degenen, die met hen oorlogen,
22 8, 26| Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden,
23 8, 27| zou mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog
24 8, 28| Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden,
25 8, 30| woorden deze of gene iets zullen willen daarbij doen of afdoen,
26 8, 30| daarbij doen of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar
27 8, 30| goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen of daar afdoen, dat
28 8, 32| Indien zij dan ons weder zullen verzoeken tot hulp tegen
29 8, 32| verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen
30 9, 9 | daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat
31 10, 27| ons trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden
32 10, 28| 28 Wij zullen u vele lasten kwijtschelden,
33 10, 33| ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen kwijtgescholden
34 10, 34| het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn
35 10, 36| 36 En uit de Joden zullen tot de krijgslieden des
36 10, 36| des konings. En uit hen zullen gesteld worden enigen in
37 10, 37| 37 En uit dezen zullen ook gesteld worden over
38 10, 37| dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld worden,
39 10, 37| dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten,
40 10, 38| aan Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven,
41 10, 41| in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot
42 10, 43| in de tempel te Jeruzalem zullen vluchten, en die in al de
43 10, 43| andere zaken, schuldig zijn, zullen losgelaten worden; en al
44 10, 44| de werken des heiligdoms zullen de kosten gegeven worden
45 10, 45| en rondom sterk te maken, zullen de kosten gegeven worden
46 10, 72| zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten
47 10, 72| uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw
48 12, 11| 11 Wij dan zullen in alle gelegenheid zonder
49 12, 45| weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts
50 13, 9 | gij onze oorlog, en wij zullen alles doen wat gij ons zult
51 13, 16| ons niet afvalle, en wij zullen hem loslaten.~
52 13, 38| sterkten, die gij gebouwd hebt, zullen uwe zijn.~
53 14, 25| hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen
54 15, 7 | Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen,
55 15, 7 | en die gij nu hebt, die zullen uwe blijven.~
56 15, 9 | En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd hebben, zo zullen
57 15, 9 | zullen bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de
58 15, 31| vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog
59 15, 35| ook aan ons land, nochtans zullen wij voor deze geven honderd
|