Chapter, Verse
1 2, 64| wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want
2 2, 65| hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.~
3 2, 67| 67 En gij zult tot u brengen allen die de wet
4 2, 68| de vergelding, en houdt u aan de geboden der wet.~
5 3, 58| En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke mannen,
6 4, 8 | menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.~
7 4, 33| het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat allen,
8 4, 33| allen, die uw naam kennen, u loven met lofzangen.~
9 5, 17| Simon, zijn broeder: Verkies u mannen, en trek heen om
10 5, 39| beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden.
11 8, 20| der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met
12 8, 32| verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht
13 8, 32| hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen te water
14 9, 30| 30 Nu dan wij hebben u heden uitverkoren om onze
15 10, 19| 19 Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig
16 10, 20| 20 En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester
17 10, 26| in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt
18 10, 27| trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor
19 10, 28| 28 Wij zullen u vele lasten kwijtschelden,
20 10, 28| lasten kwijtschelden, en u geschenken geven.~
21 10, 29| 29 En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten
22 10, 29| ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden,
23 10, 30| te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan,
24 10, 54| schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven,
25 10, 56| 56 En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven
26 10, 56| elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen,
27 10, 70| 70 Zult gij alleen u verheffen tegen ons, en
28 10, 71| 71 Nu dan, indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht,
29 10, 72| ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor
30 11, 9 | verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander
31 11, 31| ulieden, schrijven wij ook aan u, opdat gij het moogt zien.~
32 11, 41| niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal
33 11, 41| en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken,
34 11, 56| Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap,
35 11, 56| hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en
36 12, 7 | Areüs, die toen koning onder u was, dat gij onze broeders
37 12, 10| nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap
38 12, 10| vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen,
39 12, 10| vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden;
40 12, 17| gelast, dat zij ook tot u zouden reizen, en u groeten,
41 12, 17| tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren
42 12, 17| reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven
43 12, 23| 23 En wij schrijven u weder, uw vee en al wat
44 12, 23| dan enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar
45 12, 45| weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met
46 12, 45| tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al
47 13, 37| en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede,
48 13, 37| schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.~
49 13, 38| 38 Al wat wij u beloofd hebben, dat zal
50 13, 39| 39 Wij schelden u kwijt de mishandelingen
51 13, 40| 40 En zo er enigen onder u zijn bekwaam om onder ons
52 15, 5 | 5 Nu dan ik bevestig u al de vrijdommen, die u
53 15, 5 | u al de vrijdommen, die u vrijgelaten hebben de koningen,
54 15, 5 | andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben.~
55 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een eigen munt
56 15, 8 | koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, en nu af
57 15, 9 | bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel,
58 15, 21| mensen uit hun landen tot u gevloden zijn, levert ze
59 15, 31| zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.~
|