Chapter, Verse
1 1, 15| 15 En zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten
2 1, 22| En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.~
3 1, 30| van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.~
4 1, 37| spijze; en de plundering van Jeruzalem bijeengebracht hebbende,
5 1, 40| 40 En de inwoners van Jeruzalem vloden om hunnentwil;~
6 1, 47| hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda,
7 2, 1 | de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats
8 2, 6 | godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem geschiedden,~
9 2, 18| mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten zijn, en gij
10 2, 31| de krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren,
11 3, 34| de inwoners van Judea en Jeruzalem;~
12 3, 35| en het overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien, en om hun
13 3, 45| 45 En daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn,
14 3, 46| gekomen te Mizpa, tegenover Jeruzalem, omdat de plaats des gebeds
15 6, 7 | altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom,
16 6, 12| aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al
17 6, 26| geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom
18 6, 48| trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn
19 7, 17| hun bloed vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die
20 7, 19| En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth,
21 7, 22| brachten een grote nederlaag te Jeruzalem.~
22 7, 27| 27 En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en
23 7, 39| 39 En Nicanor trok uit Jeruzalem en legerde zich te Bethoron,
24 7, 47| mee en hingen ze op bij Jeruzalem.~
25 8, 22| koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn
26 9, 3 | sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op.~
27 9, 49| en hij keerde weder naar Jeruzalem.~
28 9, 53| zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.~
29 10, 7 | 7 En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven
30 10, 10| 10 En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op
31 10, 31| 31 En Jeruzalem zij heilig, en vrij met
32 10, 32| de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de
33 10, 39| ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan
34 10, 43| allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen vluchten, en die
35 10, 45| 45 Ook om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom
36 10, 66| Jonathan keerde weder naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.~
37 10, 74| tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder,
38 10, 87| Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem
39 11, 7 | Eleutherus, en keerde weder naar Jeruzalem.~
40 11, 20| uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen
41 11, 33| geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; en dat in plaats
42 11, 40| degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren,
43 11, 50| en zij keerden weder naar Jeruzalem, hebbende grote buit.~
44 11, 61| gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land
45 11, 73| Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.~ ~
46 12, 25| 25 Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in
47 12, 36| 36 En om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en
48 13, 2 | bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en vergaderde het volk,~
49 13, 10| haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte
50 13, 39| zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft,
51 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem waren, werden verhinderd
52 14, 19| voor de ganse gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift
53 14, 36| de stad Davids waren te Jeruzalem; die zichzelf een burcht
54 14, 37| en hij trok de muren van Jeruzalem op.~
55 15, 7 | 7 Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen
56 15, 28| Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk.~
57 15, 32| vriend des konings, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid
58 16, 20| 20 En hij zond anderen om Jeruzalem in te nemen, en de berg
|