Chapter, Verse
1 2, 12| 12 En ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid,
2 2, 12| ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid, en onze heerlijkheid
3 2, 12| heiligdommen en onze schoonheid, en onze heerlijkheid zijn verwoest,
4 2, 22| dat wij zouden overtreden onze godsdienst ter rechter hand
5 2, 37| Laat ons allen sterven in onze eenvoudigheid. De hemel
6 2, 40| allen zouden doen, gelijk onze broeders gedaan hebben,
7 2, 40| heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons
8 2, 41| niet allen sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven
9 2, 51| 51 Gedenkt onze vaderen, wat daden zij gedaan
10 2, 54| 54 Pinehas, onze vader, als hij met een ijver
11 3, 20| ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, en onze kinderen,
12 3, 20| en onze huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven.~
13 3, 21| 21 Doch wij strijden voor onze zielen, en voor onze wetten.~
14 3, 21| voor onze zielen, en voor onze wetten.~
15 3, 22| zal hen vermorzelen voor onze aangezichten; gij dan wilt
16 4, 9 | 9 Gedenkt hoe onze vaderen zijn behouden in
17 4, 17| hun plundering niet, want onze bestrijders zijn nog tegen
18 4, 18| ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt hen,
19 4, 36| zijn broeders zeiden: Ziet onze vijanden zijn vermorzeld,
20 5, 13| 13 En al onze broeders, die in de plaatsen
21 6, 22| geen recht oefenen, en zult onze broeders niet wreken?~
22 6, 24| werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd;~
23 6, 57| Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig,
24 7, 15| Wij zullen ulieden, en onze vrienden geen kwaad toebrengen.~
25 8, 31| gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten
26 9, 8 | opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen mochten
27 9, 9 | kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden, keert nu
28 9, 9 | behouden, keert nu weder, want onze broeders zijn weggelopen,
29 9, 10| voor hen zou vlieden; zo onze tijd nabij gekomen is, laat
30 9, 10| enige beschuldiging tegen onze eer.~
31 9, 30| hebben u heden uitverkoren om onze overste te zijn in zijn
32 9, 30| plaats, en veldoverste, om onze oorlog te voeren.~
33 9, 44| opstaan, en vechten voor onze zielen, want het is heden
34 10, 16| een vriend maken, en tot onze bondgenoot.~
35 10, 19| dat gij bekwaam zijt om onze vriend te zijn.~
36 10, 26| gehouden, en gebleven zijt in onze vriendschap, en u tot onze
37 10, 26| onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven,
38 10, 52| Demetrius verslagen hebbende, onze landen weder heb veroverd;~
39 11, 31| geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van ulieden, schrijven
40 11, 32| het volk der Joden, die onze vrienden zijn, en die aan
41 12, 7 | koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk het
42 12, 9 | node hebben, als die tot onze troost hebben de heilige
43 12, 9 | de heilige boeken, die in onze handen zijn;~
44 12, 11| ophouden uwer gedenken, zo op onze feestdagen, als andere gevoegelijke
45 12, 11| die wij offeren, en ook in onze gebeden, gelijk het behoort
46 12, 14| Wij hebben dan ulieden en onze andere bondgenoten en vrienden
47 12, 15| en wij zijn verlost van onze vijanden, en onze vijanden
48 12, 15| verlost van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.~
49 12, 17| groeten, en u overleveren onze brieven van de vernieuwing
50 12, 17| brieven van de vernieuwing van onze broederschap.~
51 13, 8 | stem zeggende: Gij zijt onze overste, in plaats van Judas
52 13, 9 | 9 Voer gij onze oorlog, en wij zullen alles
53 13, 46| met ons niet handelen naar onze boosheid, maar naar uw barmhartigheid.~
54 15, 3 | mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben,
55 15, 17| tot ons gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten,
56 15, 33| onzer vaderen, die door onze vijanden wederrechtelijk
57 16, 2 | welgelukt, dat wij Israël door onze handen dikwijls verlost
|