Chapter, Verse
1 2, 41| zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden
2 2, 62| want zijn heerlijkheid zal tot drek en wormen worden.~
3 2, 63| 63 Heden zal hij verhoogd worden en morgen
4 2, 63| verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden worden,
5 2, 63| gevonden worden, want hij zal wederkeren tot stof, en
6 2, 65| hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.~
7 2, 66| zijn jonkheid aan, deze zal uw krijgsoverste wezen,
8 3, 14| 14 Ik zal mijzelf een naam maken,
9 3, 14| mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt worden in het
10 3, 14| in het koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en die
11 3, 22| 22 En God zal hen vermorzelen voor onze
12 3, 60| wil van God in de hemel zal zijn, zo doe hij met ons.~ ~
13 4, 10| verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor
14 5, 40| waters: Indien hij eerst zal overkomen tot ons, zo zullen
15 5, 40| kunnen bestaan, want hij zal veel machtiger zijn dan
16 5, 41| 41 Maar indien hij zal vrezen, en zijn leger opslaan
17 5, 50| 50 Ik zal maar door uw land doortrekken
18 5, 50| in ons land, en niemand zal ulieden enig kwaad doen,
19 7, 14| met het krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk aandoen.~
20 7, 28| tussen mij en ulieden. Ik zal komen met weinig mannen,
21 7, 35| overgeleverd in mijn handen, zo zal het geschieden, indien ik
22 7, 35| wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging
23 8, 25| 25 Zo zal het volk der Joden met volle
24 8, 25| gelegenheid des tijds hun zal voorschrijven.~
25 8, 27| harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.~
26 8, 28| En die met hen strijden zal niets gegeven worden, noch
27 8, 30| doen of daar afdoen, dat zal bondig wezen.~
28 9, 58| Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in één
29 10, 5 | 5 Want hij zal gedachtig zijn al het kwaad,
30 10, 24| 24 Ik zal ook aan hen schrijven woorden
31 10, 32| zodanige mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.~
32 10, 35| 35 Niemand zal macht hebben iets tegen
33 10, 36| dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, gelijk
34 10, 54| mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik
35 10, 54| uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven,
36 10, 56| 56 En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven
37 10, 56| elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen,
38 11, 9 | een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die
39 11, 35| geen ding van deze alle zal van nu aan tot enige tijd
40 11, 41| aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan
41 11, 41| aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid
42 11, 41| wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen.~
43 12, 45| herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en
44 12, 45| inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken,
45 13, 6 | 6 Maar ik zal wraak doen voor mijn volk,
46 13, 16| opdat, als hij losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle,
47 13, 38| wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de sterkten,
48 13, 39| dat tol betaald heeft, dat zal voortaan geen tol meer betalen.~
49 14, 44| volk en uit de priesters zal geoorloofd zijn iets van
50 14, 44| spreken hetgeen van hem zal worden gezegd, of enige
51 14, 45| iemand tegen deze dingen iets zal gedaan hebben, of iets zal
52 14, 45| zal gedaan hebben, of iets zal teniet gedaan hebben, die
53 14, 45| teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn.~
54 15, 8 | zijt, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden,
55 15, 9 | uw heerlijkheid openbaar zal worden in alle landen.~
|