Chapter, Verse
1 1, 12| In deze dagen gingen uit Israël enige boze kinderen, die
2 1, 22| 22 En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote
3 1, 26| geschiedde grote rouw in Israël, in al hun plaatsen.~
4 1, 32| en vernielde veel volk in Israël.~
5 1, 38| lagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te
6 1, 46| 46 En velen van Israël hadden een welgevallen aan
7 1, 57| 57 En maakten dat Israël zich zette in holen, in
8 1, 62| 62 Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden
9 1, 66| 66 Doch velen in Israël zijn versterkt geworden,
10 1, 68| konings was zeer groot over Israël.~
11 2, 16| 16 En velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias
12 2, 42| van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de
13 2, 46| vonden in de landpalen van Israël;~
14 2, 55| volbracht, is een rechter in Israël geworden.~
15 2, 70| vaderen in Modin, en het ganse Israël maakte over hem zeer grote
16 3, 2 | en voerden de krijg van Israël met vreugde.~
17 3, 8 | keerde de toorn Gods van Israël af.~
18 3, 10| een grote macht, om tegen Israël krijg te voeren.~
19 3, 35| tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen, en het overgeblevene
20 3, 46| gebeds tevoren te Mizpa voor Israël was geweest.~
21 4, 11| verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt.~
22 4, 25| 25 En op die dag is Israël een grote verlossing geschied.~
23 4, 27| en verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij
24 4, 30| zijt gij, o behouder van Israël, gij, die de aanval van
25 4, 31| leger in de hand van uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden
26 4, 59| de ganse vergadering van Israël, bepaalden dat de dagen
27 5, 3 | van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden, en
28 5, 60| grote vlucht onder het volk Israël;~
29 5, 62| mannen, door welker hand Israël behoudenis is gegeven.~
30 5, 63| verheerlijkt voor het ganse Israël, en al de volken, waar hun
31 6, 21| en enige goddelozen uit Israël voegden zich bij hen, en
32 7, 5 | en goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman,
33 7, 13| eersten onder de kinderen van Israël, en zij verzochten hun vrede.~
34 7, 26| vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig was,
35 8, 18| dat het rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid in
36 9, 20| 20 En geheel Israël beweende hem en bedreef
37 9, 21| de machtige gevallen, die Israël verloste?~
38 9, 23| wet in de landpalen van Israël tevoorschijn kwamen, en
39 9, 27| 27 Daar was in Israël een zo grote verdrukking,
40 9, 51| stelden daarin bezetting, om Israël vijandelijk te bestrijden.~
41 9, 73| zo rustte het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen
42 9, 73| maakte dat de goddelozen in Israël niet verschenen.~ ~
43 10, 46| grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat hij hen
44 10, 61| enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers der wet, om
45 11, 40| want zij streden tegen Israël.~
46 12, 52| vreesden zeer, en het ganse Israël bedreef zeer grote rouw.~
47 13, 26| 26 En geheel Israël maakte een zeer grote rouw
48 13, 41| het juk der heidenen van Israël weggenomen.~
49 13, 42| 42 En het volk van Israël begon te schrijven in hun
50 13, 51| een zo groot vijand uit Israël was uitgeroeid.~
51 14, 11| maakte vrede in het land en Israël verheugde zich met grote
52 14, 26| zijn vaders huis, hebben Israël bevestigd, en hebben de
53 14, 26| en hebben de vijanden van Israël ten onder gebracht, en van
54 16, 2 | vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd van der jonkheid
55 16, 2 | is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen dikwijls
|