Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 En zijn hart werd zeer verhoogd en verheven.~
2 1, 5 | 5 En hij vergaderde een zeer sterke krijgsmacht bijeen,
3 1, 30| kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.~
4 1, 68| de toom des konings was zeer groot over Israël.~
5 2, 14| zakken aan, en bedreven zeer grote rouw.~
6 2, 17| groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broeders;~
7 2, 39| vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen gemaakt.~
8 2, 70| ganse Israël maakte over hem zeer grote rouw.~ ~ ~
9 3, 27| werd hij in zijn gemoed zeer toornig, en zond heen en
10 3, 27| van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger.~
11 3, 31| 31 Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig geworden;
12 3, 41| hun naam horende, namen zeer veel zilver en goud, en
13 4, 21| dezen, dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger
14 4, 39| hun klederen, en maakten zeer grote rouw, en wierpen stof
15 4, 58| 58 En daar was een zeer grote vreugde onder het
16 5, 1 | was als tevoren, dat zij zeer toornig werden.~
17 5, 38| zijn bij hen vergaderd, een zeer grote macht.~
18 5, 45| kinderen, en hun huisraad, een zeer groot leger, om te komen
19 5, 46| op de ingang des lands, zeer sterk, en men kon ze noch
20 5, 63| Judas en zijn broeders zijn zeer verheerlijkt voor het ganse
21 6, 2 | tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden
22 6, 8 | woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd,
23 6, 41| hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.~
24 6, 45| 45 En hij liep zeer stoutmoedig op hem toe,
25 6, 57| 57 Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord
26 6, 57| af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die
27 7, 48| 48 En het volk was zeer verheugd, en zij vierden
28 8, 3 | lankmoedigheid, hoewel de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren.~
29 8, 6 | ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk, en dat
30 8, 13| wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren;~
31 8, 19| naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen in de raad,
32 9, 6 | velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen weg uit
33 9, 7 | vergaderen, en hij werd zeer verslagen;~
34 9, 22| beschreven, want zij waren zeer vele.~
35 9, 24| die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, en het
36 9, 68| en zij drukten hem gans zeer, zodat zijn raad en uittocht
37 10, 46| gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.~
38 10, 50| 50 En als hij zeer sterk aanhield in de slag,
39 10, 68| Alexander, dat horende, werd zeer bedroefd, en keerde weder
40 11, 24| klederen, en andere geschenken zeer vele, en hij reisde naar
41 11, 52| had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.~
42 11, 59| die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.~
43 12, 8 | die daarmee gezonden was, zeer eerlijk heeft ontvangen,
44 12, 52| geweest, en zij vreesden zeer, en het ganse Israël bedreef
45 12, 52| het ganse Israël bedreef zeer grote rouw.~
46 13, 2 | 2 En ziende dat het volk zeer beangst en bevreesd was,
47 13, 22| en in die nacht had het zeer gesneeuwd, en hij trok vanwege
48 13, 26| geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem, en
49 13, 27| van achteren en van voren zeer sierlijk.~
50 14, 16| Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden.~
51 14, 29| en dat zij hun volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt.~
52 14, 40| zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan
53 16, 7 | ruiterij van de vijanden was zeer veel.~
54 16, 22| En hij, dit horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de
|