Chapter, Verse
1 1, 30| 30 Na twee volle jaren zond de koning de oversten over
2 1, 47| 47 En de koning zond brieven door de hand van
3 3, 27| gemoed zeer toornig, en zond heen en vergaderde al de
4 3, 39| 39 En zond met hen veertigduizend mannen
5 5, 38| 38 En Judas zond om het leger te verspieden;
6 5, 49| 49 En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame
7 6, 60| koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan
8 7, 9 | 9 En hij zond dezen; en meteen de goddeloze
9 7, 10| het land van Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn
10 7, 19| legerde zich te Bezeth, en zond heen, en greep velen van
11 7, 26| 26 En de koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste
12 7, 27| een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders,
13 8, 17| zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem
14 9, 35| 35 En Jonathan zond zijn broeder, die overste
15 9, 60| grote krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven aan al
16 9, 70| Jonathan dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met
17 10, 3 | 3 En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame
18 10, 17| schreef aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~
19 10, 20| genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed,
20 10, 51| 51 En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning
21 10, 69| legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester,
22 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden gesp, gelijk
23 11, 9 | 9 En hij zond gezanten aan de koning Demetrius,
24 11, 17| Alexander het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs.~
25 11, 40| 40 En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius,
26 11, 41| 41 En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende:
27 11, 43| 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië drie
28 11, 57| 57 En hij zond hem veel goudwerk tot zijn
29 11, 61| oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde
30 12, 1 | was, verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap
31 12, 2 | 2 En hij zond ook aan de Spartiaten, en
32 12, 26| 26 En hij zond verspieders in zijn leger,
33 12, 46| gelijk hij zeide, en hij zond het krijgsvolk heen, en
34 12, 49| 49 En Tryfon zond krijgsmachten en ruiterij
35 13, 11| 11 En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom,
36 13, 14| tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten.~
37 13, 17| tot hem bedrog spraken, zond het geld, en de twee zoontjes,
38 13, 19| 19 Hij zond dan de zoontjes en honderd
39 13, 34| verkoor enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius,
40 13, 35| En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden,
41 14, 2 | zijn landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten
42 14, 24| 24 Na deze zond Simon Numenius naar Rome,
43 15, 1 | van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden
44 15, 26| 26 En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen
45 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius, een
46 16, 18| schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem
47 16, 19| 19 En hij zond anderen naar Gazara, om
48 16, 19| Johannes om te brengen; en hij zond brieven aan de oversten
49 16, 20| 20 En hij zond anderen om Jeruzalem in
|