Chapter, Verse
1 1, 13| 13 Want van die dag af dat wij van
2 1, 27| 27 Want de oversten en ouderlingen
3 2, 62| woorden des zondigen mans, want zijn heerlijkheid zal tot
4 2, 63| hij niet gevonden worden, want hij zal wederkeren tot stof,
5 2, 64| u als mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt
6 3, 19| 19 Want de overwinning in de krijg
7 3, 59| 59 Want het is beter dat wij in
8 4, 5 | zocht hen op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden
9 4, 17| Begeert hun plundering niet, want onze bestrijders zijn nog
10 4, 20| in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd,
11 4, 24| dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, dewijl zijn
12 5, 12| verlost ons van hun hand, want daar is al een menigte van
13 5, 40| hem niet kunnen bestaan, want hij zal veel machtiger zijn
14 6, 41| gedruis der wapenen hoorden, want het leger was zeer groot
15 6, 59| wetten, gelijk tevoren. Want om hunner wetten wil, die
16 7, 11| luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij met grote
17 7, 14| 14 Want zij zeiden: Een man, die
18 7, 18| waarheid, noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en
19 8, 2 | 2 Want hem werden verhaald hun
20 9, 9 | behouden, keert nu weder, want onze broeders zijn weggelopen,
21 9, 22| daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele.~
22 9, 44| vechten voor onze zielen, want het is heden niet gelijk
23 9, 45| 45 Want ziet, wij hebben de oorlog
24 10, 4 | 4 Want hij zeide: Laat ons hem
25 10, 5 | 5 Want hij zal gedachtig zijn al
26 10, 14| geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.~
27 10, 71| daar met elkander strijden, want bij mij is de macht der
28 10, 82| viel aan op de slagorden, want de ruiterij was afgemat,
29 11, 4 | verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen
30 11, 10| 10 Want het berouwt mij dat ik hem
31 11, 10| mijn dochter heb gegeven, want hij heeft mij gezocht te
32 11, 40| waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen Israël.~
33 12, 10| zouden vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen
34 12, 15| 15 Want wij hebben hulp uit de hemel,
35 12, 25| hen in het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om
36 12, 29| niet tot de morgenstond, want toen zagen zij de vuren
37 12, 30| en achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier
38 12, 34| 34 Want horende, dat zij de sterkte
39 12, 45| wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben
40 12, 53| 53 Want alle heidenen, die rondom
41 12, 54| 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch
42 13, 5 | enige tijd der verdrukking, want ik ben niet beter dan al
43 14, 4 | rust al de dagen van Simon, want hij zocht het welvaren van
44 14, 13| 13 Want die hen bestreden hielden
45 14, 26| 26 Want hij, en zijn broeders, en
46 14, 40| 40 Want hij had gehoord, dat de
47 15, 12| 12 Want hij zag dat de ellenden
48 16, 12| 12 Want hij was de schoonzoon van
49 16, 22| brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij hem
|