1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287
Chapter, Verse
501 4, 36| het heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden.~
502 4, 37| 37 En het ganse leger werd vergaderd,
503 4, 37| ganse leger werd vergaderd, en zij gingen op naar de berg
504 4, 38| 38 En zij zagen het heiligdom
505 4, 38| het heiligdom verwoest, en het altaar ontheiligd, en
506 4, 38| en het altaar ontheiligd, en de poorten verbrand, en
507 4, 38| en de poorten verbrand, en in de voorhoven struiken
508 4, 38| als op een van de bergen, en de kamers der priesters
509 4, 39| 39 En zij verscheurden hun klederen,
510 4, 39| verscheurden hun klederen, en maakten zeer grote rouw,
511 4, 39| maakten zeer grote rouw, en wierpen stof op hun hoofden;~
512 4, 40| 40 En zij vielen op hun aangezicht
513 4, 40| aangezicht op de aarde, en bliezen met de bazuinen
514 4, 40| bliezen met de bazuinen alarm, en riepen tot God in de hemel.~
515 4, 42| 42 En hij verkoor onberispelijke
516 4, 43| 43 En zij reinigden het heiligdom,
517 4, 43| reinigden het heiligdom, en namen de stenen der besmetting
518 4, 43| stenen der besmetting weg, en brachten ze in een onreine
519 4, 44| 44 En als zij raad hielden wat
520 4, 45| heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar weg;~
521 4, 46| 46 En zij brachten de stenen op
522 4, 47| 47 En zij namen gehele stenen
523 4, 47| gehele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar,
524 4, 48| 48 En zij bouwden het heiligdom,
525 4, 48| zij bouwden het heiligdom, en het binnenste van het huis,
526 4, 48| binnenste van het huis, en zij heiligden de voorhoven.~
527 4, 49| 49 En zij maakten nieuwe heilige
528 4, 49| maakten nieuwe heilige vaten, en zij brachten in de tempel
529 4, 49| de tempel de kandelaar, en het altaar der brandoffers,
530 4, 49| altaar der brandoffers, en der reukwerken, en de tafel.~
531 4, 49| brandoffers, en der reukwerken, en de tafel.~
532 4, 50| 50 En rookten op het altaar, en
533 4, 50| En rookten op het altaar, en ontstaken de lampen op de
534 4, 50| lampen op de kandelaar, en zij gaven licht in de tempel.~
535 4, 51| 51 En zij zetten broden op de
536 4, 51| zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels op,
537 4, 51| hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze werken,
538 4, 52| 52 En zij stonden des morgens
539 4, 53| 53 En zij offerden, naar de wet,
540 4, 54| 54 Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen
541 4, 54| ingewijd, met gezangen, en citers, en harpen, en met
542 4, 54| met gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen.~
543 4, 54| gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen.~
544 4, 55| 55 En al het volk nedervallende
545 4, 55| aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel,
546 4, 56| 56 En zij hielden deze inwijding
547 4, 56| met vreugde brandoffers, en slachtende offeranden der
548 4, 56| offeranden der behoudenis en des lofs.~
549 4, 57| 57 En versierden het voorste deel
550 4, 57| tempel, met gouden kronen en schilden, en vernieuwden
551 4, 57| gouden kronen en schilden, en vernieuwden de poorten,
552 4, 57| vernieuwden de poorten, en de kamers der priesters,
553 4, 57| de kamers der priesters, en maakten daar deuren aan.~
554 4, 58| 58 En daar was een zeer grote
555 4, 58| vreugde onder het volk, en de smaadheid der heidenen
556 4, 59| 59 En Judas met zijn broeders,
557 4, 59| Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering van
558 4, 59| gehouden worden met vreugde en blijdschap.~
559 4, 60| 60 En zij bouwden in die tijd
560 4, 60| de berg Sion hoge muren en sterke torens, opdat de
561 4, 60| eniger tijd zouden komen en ze weder vertreden, gelijk
562 4, 61| 61 En zij zetten daar krijgsvolk
563 4, 61| krijgsvolk in, om ze te bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura
564 5, 1 | dat het altaar opgebouwd en het heiligdom weder ingewijd
565 5, 2 | 2 En zij namen een besluit, om
566 5, 2 | het midden van hen waren, en begonnen onder het volk
567 5, 2 | het volk enigen te doden en te verdelgen.~
568 5, 3 | Israël als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote
569 5, 3 | met een grote nederlaag, en benauwde hen en kreeg al
570 5, 3 | nederlaag, en benauwde hen en kreeg al hun buit.~
571 5, 4 | 4 En indachtig wordende de boosheid
572 5, 4 | geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat zij hun
573 5, 5 | Besloot hij hen in de torens, en legerde zich tegen hen,
574 5, 5 | legerde zich tegen hen, en hij sloeg hen met de ban,
575 5, 5 | hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun torens met
576 5, 6 | 6 En vandaar toog hij naar de
577 5, 6 | naar de kinderen van Ammon, en hij vond daar een grote
578 5, 6 | vond daar een grote macht, en veel volk, en Timotheüs,
579 5, 6 | grote macht, en veel volk, en Timotheüs, hun overste.~
580 5, 7 | 7 En hij leverde hun vele veldslagen,
581 5, 7 | leverde hun vele veldslagen, en vermorzelde hen voor zijn
582 5, 7 | hen voor zijn aangezicht, en sloeg hen.~
583 5, 8 | 8 En Jazer met haar vlekken ingenomen
584 5, 9 | 9 En de heidenen die in Galaäd
585 5, 10| de sterkte van Dathema, en zonden brieven aan Judas
586 5, 10| zonden brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:~
587 5, 11| vergaderd, om ons te verderven, en zij bereiden zich om te
588 5, 11| bereiden zich om te komen, en in te nemen de sterkte,
589 5, 11| waarin wij gevloden zijn, en Timotheüs voert hun leger
590 5, 12| 12 Komt dan nu, en verlost ons van hun hand,
591 5, 13| 13 En al onze broeders, die in
592 5, 13| Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen
593 5, 13| vrouwen gevangen genomen, en hun kinderen, en hun huisraad,
594 5, 13| genomen, en hun kinderen, en hun huisraad, en hebben
595 5, 13| kinderen, en hun huisraad, en hebben daar vernield omtrent
596 5, 14| klederen verscheurd hebbende, en boodschapten volgens deze
597 5, 15| vergaderd waren uit Ptolomaïs, en Tyrus, en Sidon, met het
598 5, 15| uit Ptolomaïs, en Tyrus, en Sidon, met het ganse Galilea
599 5, 16| 16 Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden,
600 5, 16| in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.~
601 5, 17| 17 En Judas zeide tot Simon, zijn
602 5, 17| broeder: Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders
603 5, 17| in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen
604 5, 18| 18 En hij liet Jozef, de zoon
605 5, 18| Jozef, de zoon van Zacharias en Azaria tot oversten des
606 5, 19| 19 En hij beval hun, zeggende:
607 5, 19| zeggende: Weest over dit volk, en begint de strijd niet tegen
608 5, 20| 20 En Simon werden toegedeeld
609 5, 20| naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend man om
610 5, 21| 21 En Simon trok naar Galilea,
611 5, 21| Simon trok naar Galilea, en hij leverde vele veldslagen
612 5, 21| veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde de heidenen
613 5, 21| heidenen voor zijn aangezicht, en hij vervolgde hen tot de
614 5, 22| 22 En daar vielen van de heidenen
615 5, 22| heidenen tot drieduizend man, en zij kregen hun buit.~
616 5, 23| tot zich die van Galilea, en ook die van Arbatten, met
617 5, 23| van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en alles wat zij
618 5, 23| met vrouwen en kinderen, en alles wat zij hadden, en
619 5, 23| en alles wat zij hadden, en brachten hen in Judea met
620 5, 24| 24 En Judas de Makkabeeër, en
621 5, 24| En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder,
622 5, 24| trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie
623 5, 25| 25 En ontmoetten de Nabatheeën,
624 5, 25| hen vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat met
625 5, 26| 26 En dat velen van hen gekregen
626 5, 26| gekregen waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor,
627 5, 26| Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; al deze steden
628 5, 26| deze steden waren sterk en groot;~
629 5, 27| 27 En dat zijn ook in al die overige
630 5, 27| Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich
631 5, 27| legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen
632 5, 27| sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op
633 5, 28| naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde
634 5, 28| spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk
635 5, 28| de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en
636 5, 28| en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met
637 5, 29| 29 En hij vertrok van daar des
638 5, 29| vertrok van daar des nachts, en trok alsof hij naar de sterkte
639 5, 30| 30 En als de morgenstond aankwam,
640 5, 30| de morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen,
641 5, 30| tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen om
642 5, 30| de sterkte in te nemen, en zij bestreden ze.~
643 5, 31| 31 En Judas zag dat de strijd
644 5, 31| strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging
645 5, 31| hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij
646 5, 31| trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen
647 5, 33| 33 En uitgaande achter hen met
648 5, 33| bliezen zij de trompetten, en riepen in het gebed.~
649 5, 34| 34 En het leger van Timotheüs
650 5, 34| ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht;
651 5, 34| vloden voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote
652 5, 34| met een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag
653 5, 35| 35 En hij week naar Mizpa, en
654 5, 35| En hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar, en nam
655 5, 35| Mizpa, en hij bestreed haar, en nam haar in, en doodde al
656 5, 35| bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat mannelijk
657 5, 35| daarin was, plunderde haar en verbrandde haar met vuur.~
658 5, 36| 36 En hij trok vandaar, en nam
659 5, 36| 36 En hij trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor,
660 5, 36| in Chasfon, Maked, Bosor, en de overige steden van Galaäditis.~
661 5, 37| 37 En na deze zaken vergaderde
662 5, 37| Timotheüs een ander leger, en legerde zich tegenover Rafon
663 5, 38| 38 En Judas zond om het leger
664 5, 38| het leger te verspieden; en zij boodschapten hem zeggende:
665 5, 39| 39 En hij heeft de Arabieren gehuurd
666 5, 39| gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen
667 5, 39| opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen
668 5, 39| te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.~
669 5, 40| 40 En Timotheüs zeide tot de oversten
670 5, 40| krijgsvolk, toen Judas naderde, en zijn leger bij de beek des
671 5, 41| Maar indien hij zal vrezen, en zijn leger opslaan over
672 5, 41| wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig
673 5, 42| de schrijvers des volks, en hij beval hun, zeggende:
674 5, 43| 43 En hij was de eerste die over
675 5, 43| de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna.
676 5, 43| volk trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld
677 5, 43| vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen
678 5, 43| wierpen hun wapenen weg, en vloden in het bos, dat te
679 5, 44| 44 En zij namen de stad in, en
680 5, 44| En zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand,
681 5, 44| staken het bos in brand, en verbrandden het met vuur,
682 5, 44| allen die daarin waren. En de stad Karnaïn werd omgekeerd,
683 5, 44| Karnaïn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan
684 5, 45| 45 En Judas vergaderde al de Israëlieten,
685 5, 45| kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen,
686 5, 45| groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad,
687 5, 45| vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, een zeer groot
688 5, 46| 46 En als zij gekomen waren tot
689 5, 46| ingang des lands, zeer sterk, en men kon ze noch ter rechter
690 5, 48| 48 En stopten de poorten toe met
691 5, 49| 49 En Judas zond tot hen, zeggende
692 5, 50| om te komen in ons land, en niemand zal ulieden enig
693 5, 51| 51 En Judas gebood dat men in
694 5, 51| de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk
695 5, 51| krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele
696 5, 51| bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad
697 5, 51| dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen
698 5, 52| 52 En hij vernielde al wat mannelijk
699 5, 52| de scherpte des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid,
700 5, 52| de stad gans uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging
701 5, 52| uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven
702 5, 52| stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over
703 5, 53| 53 En Judas, leidende de achtersten,
704 5, 54| 54 En zij gingen op naar de berg
705 5, 54| de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en zij offerden
706 5, 54| met vreugde en blijdschap, en zij offerden brandofferen,
707 5, 55| 55 En in die dagen toen Judas
708 5, 55| in die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren,
709 5, 55| Jonathan in Galaäd waren, en Simon, zijn broeder, in
710 5, 56| de zoon van Zacharias, en Azaria, oversten van het
711 5, 56| krijgsvolk, de mannelijke daden en de oorlogen die zij uitgericht
712 5, 56| die zij uitgericht hadden, en zeiden:~
713 5, 57| onszelf een naam maken, en laat ons heentrekken om
714 5, 58| 58 En het krijgsvolk dat met hen
715 5, 59| 59 En Gorgias en zijn mannen trokken
716 5, 59| 59 En Gorgias en zijn mannen trokken uit
717 5, 60| 60 En Jozefus en Azaria werden
718 5, 60| 60 En Jozefus en Azaria werden op de vlucht
719 5, 60| werden op de vlucht gedreven, en vervolgd tot de landpalen
720 5, 60| de landpalen van Judea; en daar vielen op die dag van
721 5, 60| Israëls tot tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht
722 5, 61| niet hoorden naar Judas en zijn broeders, menende dat
723 5, 63| 63 En Judas en zijn broeders zijn
724 5, 63| 63 En Judas en zijn broeders zijn zeer
725 5, 63| verheerlijkt voor het ganse Israël, en al de volken, waar hun naam
726 5, 65| 65 En Judas en zijn broeders trokken
727 5, 65| 65 En Judas en zijn broeders trokken uit
728 5, 65| zijn broeders trokken uit en bestreden de kinderen van
729 5, 65| dat tegen het zuiden ligt, en hij sloeg Chebron, en haar
730 5, 65| ligt, en hij sloeg Chebron, en haar vlekken.~
731 5, 66| 66 En heeft haar sterkte vernield,
732 5, 66| heeft haar sterkte vernield, en al haar torens rondom verbrand;
733 5, 66| torens rondom verbrand; en is opgebroken en getrokken
734 5, 66| verbrand; en is opgebroken en getrokken in het land der
735 5, 66| land der vreemdelingen, en trok door Samaria.~
736 5, 67| 67 En die dag vielen de priesters
737 5, 68| 68 En Judas week naar Azote, in
738 5, 68| land der vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en
739 5, 68| en verbrak hun altaren, en de beelden hunner goden
740 5, 68| verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de roof der
741 5, 68| plunderde de roof der steden, en keerde weder naar het land
742 6, 1 | 1 En de koning Antiochus, doorreizende
743 6, 1 | van rijkdom, van zilver en van goud;~
744 6, 2 | 2 En dat de tempel, die daarin
745 6, 2 | daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen,
746 6, 2 | daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren,
747 6, 2 | bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander,
748 6, 3 | zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij
749 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan
750 6, 4 | opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok
751 6, 4 | strijden, en hij vluchtte, en vertrok vandaar met grote
752 6, 4 | vandaar met grote droefheid, en keerde weder naar Babylon.~
753 6, 5 | 5 En daar kwam een die hem boodschapte
754 6, 6 | 6 En dat Lysias met een sterke
755 6, 6 | voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de
756 6, 6 | de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren
757 6, 6 | versterkt waren met wapenen, en krijgsvolk, en veel buit,
758 6, 6 | wapenen, en krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen
759 6, 7 | 7 En dat zij verbroken hadden
760 6, 7 | hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk
761 6, 7 | omringd met hoge muren, en Bethsura, zijn stad.~
762 6, 8 | 8 En het geschiedde, als de koning
763 6, 8 | hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij
764 6, 9 | 9 En hij was daar vele dagen,
765 6, 9 | droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.~
766 6, 10| hij al zijn vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap
767 6, 10| houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege
768 6, 11| 11 En ik heb gezegd in mijn hart:
769 6, 11| verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed,
770 6, 11| Och, of ik goedertieren en bemind ware geweest in mijn
771 6, 12| in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren
772 6, 12| en dat ik al de gouden en zilveren vaten, die daarin
773 6, 12| daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de
774 6, 13| ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote
775 6, 14| 14 En hij riep Filippus, een van
776 6, 14| een van zijn vrienden, en stelde hem over zijn ganse
777 6, 15| 15 En hij gaf hem zijn koninklijke
778 6, 15| hem zijn koninklijke hoed, en zijn koninklijk kleed, en
779 6, 15| en zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn
780 6, 15| zijn zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te
781 6, 16| 16 En de koning Antiochus stierf
782 6, 17| 17 En Lysias, verstaande dat de
783 6, 17| zijn jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator.~
784 6, 18| het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad
785 6, 18| zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de
786 6, 19| voor deze te verdelgen, en verzamelde al het volk om
787 6, 20| honderdenvijftigste jaar, en bij maakte tegen hen stormgereedschap
788 6, 20| tegen hen stormgereedschap en andere instrumenten van
789 6, 21| 21 En enige van die besloten waren
790 6, 21| besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit Israël
791 6, 21| Israël voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning
792 6, 21| zij reisden naar de koning en zeiden:~
793 6, 22| gij geen recht oefenen, en zult onze broeders niet
794 6, 23| gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen door
795 6, 23| hetgeen door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen,
796 6, 24| werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden
797 6, 25| 25 En zij strekten hun handen
798 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze
799 6, 26| burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen,
800 6, 26| het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk
801 6, 27| 27 En indien gij hun niet haastig
802 6, 27| meerdere dingen doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen
803 6, 28| 28 En de koning werd toornig toen
804 6, 28| toornig toen hij dit hoorde, en vergaderde al zijn vrienden,
805 6, 28| oversten van zijn krijgsvolk, en die over de ruiterij waren.~
806 6, 29| 29 En van andere koningen en van
807 6, 29| 29 En van andere koningen en van de eilanden der zee
808 6, 30| honderdduizend voetknechten, en twintigduizend ruiters,
809 6, 30| twintigduizend ruiters, en tweeëndertig olifanten,
810 6, 31| 31 En zij kwamen door Idumeä,
811 6, 31| zij kwamen door Idumeä, en legerden zich tegen Bethsura,
812 6, 31| zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten van
813 6, 31| die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur,
814 6, 31| verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.~
815 6, 32| 32 En Judas brak op van de burcht
816 6, 32| Judas brak op van de burcht en legerde zich in Bethzacharia
817 6, 33| 33 En de koning stond op, des
818 6, 33| stond op, des morgens vroeg, en verplaatste het leger; het
819 6, 33| de weg van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde
820 6, 34| 34 En zij toonden de olifanten
821 6, 34| het sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot
822 6, 35| 35 En zij verdeelden de beesten
823 6, 35| beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant
824 6, 35| pantsers van ijzeren maliën, en die koperen helmen op hun
825 6, 35| helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen ruiters
826 6, 36| daar, waar het beest was, en waar het ging, daar gingen
827 6, 36| ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelve niet.~
828 6, 37| 37 En op deze olifanten waren
829 6, 37| deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder
830 6, 37| gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig
831 6, 37| tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest
832 6, 38| 38 En het overige krijgsvolk stelden
833 6, 38| weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende.~
834 6, 39| bergen daarvan blonken, en lichtten gelijk lampen van
835 6, 40| 40 En een deel van des konings
836 6, 40| uitgebreid tot de hoge bergen en sommige naar de laagten,
837 6, 40| sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid
838 6, 40| trokken in verzekerdheid en goede orde.~
839 6, 41| 41 En zij werden allen ontroerd,
840 6, 41| geluid van hun menigte, en het gedruis der wapenen
841 6, 41| het leger was zeer groot en sterk.~
842 6, 42| 42 En Judas en zijn leger naderden
843 6, 42| 42 En Judas en zijn leger naderden om te
844 6, 42| leger naderden om te slaan, en daar vielen van des konings
845 6, 43| 43 En Eleazar Auäran zag een van
846 6, 43| koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekende boven
847 6, 43| uitstekende boven al de beesten, en hij dacht dat de koning
848 6, 44| 44 En hij begaf zich om zijn volk
849 6, 44| om zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige
850 6, 45| 45 En hij liep zeer stoutmoedig
851 6, 45| midden in de slagorden, en hij sloeg dood ter rechter
852 6, 45| sloeg dood ter rechter hand en ter linkerhand, en zij verdeelden
853 6, 45| hand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter
854 6, 46| 46 En hij ging onder de olifant,
855 6, 46| hij ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze,
856 6, 46| hij zette zich onder deze, en doodde hem, en hij viel
857 6, 46| onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op hem,
858 6, 47| 47 En als zij zagen de sterkte
859 6, 47| de sterkte des konings, en de aanval van het krijgsvolk,
860 6, 48| 48 En die van des konings leger
861 6, 48| tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger
862 6, 48| sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion.~
863 6, 49| 49 En hij maakte vrede met degenen,
864 6, 49| die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad,
865 6, 49| stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar des
866 6, 50| 50 En de koning nam Bethsura in,
867 6, 50| koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting
868 6, 51| 51 En hij sloeg zijn leger tegen
869 6, 51| het heiligdom vele dagen, en hij stelde daar stormgereedschap
870 6, 51| stelde daar stormgereedschap en instrumenten van geweld
871 6, 51| instrumenten van geweld om vuur en stenen te werpen; en schorpioenen,
872 6, 51| vuur en stenen te werpen; en schorpioenen, om pijlen
873 6, 51| schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren.~
874 6, 52| 52 En zij maakten ook instrumenten
875 6, 52| tegen hun instrumenten, en vochten vele dagen.~
876 6, 53| 53 En zij hadden geen eetwaren
877 6, 53| het het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen
878 6, 53| jaar was, en die behouden en van de heidenen in Judea
879 6, 54| 54 En daar waren weinig mannen
880 6, 54| honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een
881 6, 56| Weergekeerd was van Perzië en Medië, met de krijgsmachten
882 6, 56| met hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan
883 6, 57| hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord dat
884 6, 57| burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en
885 6, 57| en zeggen tot de koning, en tot de oversten van het
886 6, 57| oversten van het krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen
887 6, 57| Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig,
888 6, 57| leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren
889 6, 57| wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van
890 6, 58| mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken,
891 6, 58| ons vrede met hen maken, en met al hun volk.~
892 6, 59| 59 En laat ons hun toelaten, dat
893 6, 59| zijn zij toornig geworden, en hebben al deze dingen gedaan.~
894 6, 60| rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond
895 6, 60| de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede
896 6, 60| de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.~
897 6, 61| 61 En de koning en de oversten
898 6, 61| 61 En de koning en de oversten zwoeren hun
899 6, 61| zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;~
900 6, 62| 62 En de koning ging op de berg
901 6, 62| koning ging op de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats,
902 6, 62| bezag de sterkte der plaats, en verbrak de eed, die hij
903 6, 62| eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom
904 6, 63| 63 En is haastig vertrokken, en
905 6, 63| En is haastig vertrokken, en keerde weder naar Antiochië,
906 6, 63| keerde weder naar Antiochië, en hij vond daar Filippus,
907 6, 63| die over de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en
908 6, 63| en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~
909 7, 1 | Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen,
910 7, 1 | stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.~
911 7, 2 | 2 En het geschiedde, toen hij
912 7, 2 | het krijgsvolk Antiochus en Lysias greep, om die tot
913 7, 3 | 3 En als hem deze zaak bekend
914 7, 4 | Het krijgsvolk doodde hen, en Demetrius ging zitten op
915 7, 5 | 5 En tot hem kwamen alle verbrekers
916 7, 5 | alle verbrekers der wet, en goddeloze mannen in Israël,
917 7, 5 | goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman,
918 7, 5 | Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap
919 7, 6 | 6 En zij beschuldigden het volk
920 7, 6 | koning, zeggende: Judas en zijn broeders hebben al
921 7, 6 | al uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land
922 7, 7 | hij aan ons gedaan heeft, en aan het land des konings,
923 7, 7 | aan het land des konings, en dat hij hem, en allen, die
924 7, 7 | konings, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen
925 7, 8 | 8 En de koning verkoos Bacchides,
926 7, 8 | aan gene zijde der rivier, en groot was in het koninkrijk,
927 7, 8 | groot was in het koninkrijk, en de koning getrouw.~
928 7, 9 | 9 En hij zond dezen; en meteen
929 7, 9 | 9 En hij zond dezen; en meteen de goddeloze Alcimus,
930 7, 9 | meteen de goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap,
931 7, 9 | hem het hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te
932 7, 10| 10 En zij trokken uit en kwamen
933 7, 10| 10 En zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht
934 7, 10| krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden tot Judas
935 7, 10| hij zond boden tot Judas en zijn broeders, vreedzame
936 7, 12| 12 En een vergadering van schriftgeleerden
937 7, 12| verzamelde zich bij Alcimus en Bacchides om enige billijke
938 7, 13| 13 En de Asideeën waren de eersten
939 7, 13| de kinderen van Israël, en zij verzochten hun vrede.~
940 7, 14| gekomen met het krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk
941 7, 15| 15 En hij sprak met hen vreedzame
942 7, 15| met hen vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij
943 7, 15| zeggende: Wij zullen ulieden, en onze vrienden geen kwaad
944 7, 16| 16 En zij geloofden hem; doch
945 7, 16| namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op een dag,
946 7, 17| het vlees uwer heiligen, en hun bloed vergoten rondom
947 7, 17| vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen
948 7, 18| 18 En een vreze voor hen, en een
949 7, 18| 18 En een vreze voor hen, en een beving viel op het ganse
950 7, 18| want zij hebben het verbond en de eed, die zij gezworen
951 7, 19| 19 En Bacchides trok op van Jeruzalem,
952 7, 19| Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth,
953 7, 19| legerde zich te Bezeth, en zond heen, en greep velen
954 7, 19| te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen
955 7, 19| tot hem overgelopen waren, en enigen van het volk, en
956 7, 19| en enigen van het volk, en hij doodde hen, en wierp
957 7, 19| volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put.~
958 7, 20| 20 En hij stelde Alcimus over
959 7, 20| stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem krijgsvolk,
960 7, 20| krijgsvolk, dat hem zou helpen; en Bacchides trok heen naar
961 7, 21| 21 En Alcimus streed om het hogepriesterschap.~
962 7, 22| 22 En tot hem werden vergaderd
963 7, 22| die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land
964 7, 22| bemachtigden het land van Juda, en brachten een grote nederlaag
965 7, 23| 23 En Judas, als hij zag al de
966 7, 23| de boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder
967 7, 24| landpalen van Judea rondom, en deed wraak over al de mannen,
968 7, 24| die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden,
969 7, 25| 25 En als Alcimus zag, dat Judas
970 7, 25| als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste
971 7, 25| waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet
972 7, 25| hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van boze
973 7, 26| 26 En de koning zond Nicanor,
974 7, 26| oversten, die Israël haatte en vijandig was, en beval hem
975 7, 26| haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het volk
976 7, 27| 27 En Nicanor kwam te Jeruzalem
977 7, 27| Jeruzalem met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn
978 7, 27| macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog
979 7, 28| geen strijd zijn tussen mij en ulieden. Ik zal komen met
980 7, 29| 29 En hij kwam tot Judas; en zij
981 7, 29| 29 En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander vreedzaam.
982 7, 29| groetten elkander vreedzaam. En de vijanden waren gereed
983 7, 30| 30 En deze zaak werd Judas bekend,
984 7, 30| bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt,
985 7, 30| werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht
986 7, 31| 31 En Nicanor, wetende dat zijn
987 7, 32| 32 En daar vielen aan de zijde
988 7, 32| omtrent vijfhonderd mannen, en zij vloden in de stad Davids.~
989 7, 33| 33 En na deze zaak ging Nicanor
990 7, 33| Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen enigen van de
991 7, 33| priesters uit het heiligdom, en enigen van de ouderlingen
992 7, 33| vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer,
993 7, 34| 34 Maar hij bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde
994 7, 34| bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde hen, en sprak
995 7, 34| hen, en ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig.~
996 7, 35| 35 En hij zwoer met gramschap,
997 7, 35| zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt
998 7, 35| dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote
999 7, 36| 36 En de priesters gingen in de
1000 7, 36| priesters gingen in de tempel, en stonden voor het altaar
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287 |