1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287
Chapter, Verse
1001 7, 36| stonden voor het altaar en de tempel, en weenden en
1002 7, 36| het altaar en de tempel, en weenden en zeiden:~
1003 7, 36| en de tempel, en weenden en zeiden:~
1004 7, 37| zou aangeroepen worden, en dat het uw volk zou zijn
1005 7, 37| zijn een huis des gebeds en der smeking;~
1006 7, 38| toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat
1007 7, 38| mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard
1008 7, 38| Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te
1009 7, 39| 39 En Nicanor trok uit Jeruzalem
1010 7, 39| Nicanor trok uit Jeruzalem en legerde zich te Bethoron,
1011 7, 39| legerde zich te Bethoron, en aldaar ontmoette hem het
1012 7, 40| 40 En Judas legerde zich in Adasa
1013 7, 40| Adasa met drieduizend man, en Judas bad God, en zeide:~
1014 7, 40| drieduizend man, en Judas bad God, en zeide:~
1015 7, 41| zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.~
1016 7, 42| kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid.~
1017 7, 43| 43 En de legers kwamen met elkander
1018 7, 43| dertiende dag der maand Adar, en het leger van Nicanor werd
1019 7, 43| Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste,
1020 7, 44| wierpen zij hun wapenen weg en vloden.~
1021 7, 45| 45 En zij vervolgden hen een dagreis
1022 7, 45| totdat zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de
1023 7, 46| 46 En uit alle vlekken van Judea
1024 7, 46| Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden
1025 7, 46| inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen
1026 7, 46| keerden zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door het
1027 7, 46| vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet één
1028 7, 47| 47 En zij kregen de buit en de
1029 7, 47| 47 En zij kregen de buit en de roof, en het hoofd van
1030 7, 47| kregen de buit en de roof, en het hoofd van Nicanor, en
1031 7, 47| en het hoofd van Nicanor, en zijn rechterhand, die hij
1032 7, 47| hebbende, brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem.~
1033 7, 48| 48 En het volk was zeer verheugd,
1034 7, 48| volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als
1035 7, 49| 49 En zij bepaalden dat die dag
1036 7, 50| 50 En het land van Juda was enige
1037 8, 1 | 1 En Judas hoorde de naam der
1038 8, 1 | machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden
1039 8, 1 | hetgeen hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten
1040 8, 1 | degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in
1041 8, 2 | werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke daden, die zij
1042 8, 2 | hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden,
1043 8, 2 | zij hen overwonnen hadden, en hen onder schatting hadden
1044 8, 3 | 3 En wat zij gedaan hadden in
1045 8, 3 | metaalmijnen van zilver en van goud, dat daar is, en
1046 8, 3 | en van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden
1047 8, 3 | bemachtigd door hun goede raad en lankmoedigheid, hoewel de
1048 8, 4 | 4 En de koningen, die van het
1049 8, 4 | zij hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag
1050 8, 4 | grote nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun
1051 8, 5 | 5 En dat zij Filippus, en Perseus,
1052 8, 5 | 5 En dat zij Filippus, en Perseus, koningen van Macedonië,
1053 8, 5 | in de strijd, vermorzeld en hen overwonnen hadden;~
1054 8, 6 | 6 En onder dezen Antiochus de
1055 8, 6 | honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en
1056 8, 6 | olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk,
1057 8, 6 | en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk, en
1058 8, 6 | en zeer veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was
1059 8, 7 | 7 En dat zij hem levend gekregen
1060 8, 7 | levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen
1061 8, 7 | gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen zouden
1062 8, 7 | grote schatting te geven, en gijzelaars te stellen, en
1063 8, 7 | en gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken;~
1064 8, 8 | 8 En te geven het land van Indië,
1065 8, 8 | geven het land van Indië, en Medië, en Lydië, en andere
1066 8, 8 | land van Indië, en Medië, en Lydië, en andere van hun
1067 8, 8 | Indië, en Medië, en Lydië, en andere van hun schoonste
1068 8, 8 | van hun schoonste landen, en dat zij, die van hem ontvangen
1069 8, 9 | 9 En als die van Griekenland
1070 8, 9 | besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze
1071 8, 9 | komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen
1072 8, 10| tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden,
1073 8, 10| van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen,
1074 8, 10| genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd
1075 8, 10| vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende,
1076 8, 10| land hebben bemachtigd, en hun sterkten verbroken,
1077 8, 10| hun sterkten verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende,
1078 8, 11| 11 En dat zij de overige koninkrijken
1079 8, 11| de overige koninkrijken en eilanden, die hen enigszins
1080 8, 11| enigszins tegenstonden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden;~
1081 8, 12| dat zij met hun vrienden, en die met hen tevreden waren,
1082 8, 12| waren, vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken,
1083 8, 12| koninkrijken, die nabij, en die verre waren, bemachtigd
1084 8, 12| waren, bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam
1085 8, 13| 13 En dat allen, die zij wilden
1086 8, 13| allen, die zij wilden helpen en laten regeren, dat die regeerden;
1087 8, 13| regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij
1088 8, 13| die zij wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren;~
1089 8, 14| 14 En dat in deze allen niemand
1090 8, 15| een Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig
1091 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden
1092 8, 16| te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land;
1093 8, 16| heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam
1094 8, 16| deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid
1095 8, 17| 17 En Judas verkoos Eupolemus,
1096 8, 17| Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar,
1097 8, 17| Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome,
1098 8, 17| om met hem vriendschap en gemeenschap van wapenen
1099 8, 18| 18 En om van hen het juk weg te
1100 8, 19| 19 En zij reisden naar Rome, en
1101 8, 19| En zij reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en
1102 8, 19| en de weg was zeer lang, en gingen in de raad, en antwoordden
1103 8, 19| lang, en gingen in de raad, en antwoordden en zeiden:~
1104 8, 19| de raad, en antwoordden en zeiden:~
1105 8, 20| 20 Judas Makkabeüs en zijn broeders en de menigte
1106 8, 20| Makkabeüs en zijn broeders en de menigte der Joden hebben
1107 8, 20| van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven
1108 8, 20| zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen
1109 8, 20| worden onder uw medestrijders en vrienden.~
1110 8, 21| 21 En deze rede was aangenaam
1111 8, 22| 22 En dit was het afschrift van
1112 8, 22| schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om
1113 8, 22| een gedenkteken des vredes en der gemeenschap van wapenen:~
1114 8, 23| 23 Dat het de Romeinen en het volk der Joden moet
1115 8, 23| Joden moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid.
1116 8, 23| te land, in eeuwigheid. En het zwaard en de vijand
1117 8, 23| eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet ver van hen
1118 8, 26| 26 En zij zullen degenen, die
1119 8, 26| de Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen
1120 8, 27| 27 En volgens deze, zo het volk
1121 8, 28| 28 En die met hen strijden zal
1122 8, 28| stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen
1123 8, 28| deze artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog.~
1124 8, 30| 30 En indien na deze woorden deze
1125 8, 30| naar hun eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen
1126 8, 31| verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?~
1127 8, 32| zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen
1128 8, 32| oorlog aannemen te water en te land.~ ~
1129 9, 1 | Demetrius hoorde hoe Nicanor en zijn krijgsvolk de oorlog
1130 9, 1 | voer hij voort Bacchides en Alcimus ten tweeden male
1131 9, 1 | zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel van
1132 9, 2 | 2 En zij trokken de weg, die
1133 9, 2 | die naar Galgala leidt, en legerden zich te Masaloth,
1134 9, 2 | hetwelk in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen
1135 9, 2 | ligt, en zij namen het in, en vernielen vele zielen van
1136 9, 3 | 3 En in de eerste maand van het
1137 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken
1138 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken naar Berea, met
1139 9, 4 | twintigduizend man te voet, en tweeduizend ruiters.~
1140 9, 5 | 5 En Judas was gelegerd te Eleasa,
1141 9, 5 | was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen mannen
1142 9, 6 | 6 En zij zagen de menigte des
1143 9, 6 | krijgsvolks, dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen
1144 9, 6 | waren, en zij vreesden zeer en velen liepen weg uit het
1145 9, 7 | zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong,
1146 9, 7 | weder bijeen te vergaderen, en hij werd zeer verslagen;~
1147 9, 8 | 8 En zeide tot de overgeblevenen:
1148 9, 8 | overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden,
1149 9, 9 | broeders zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden,
1150 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre
1151 9, 10| om onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten
1152 9, 11| Bacchides op uit hun leger, en stond tegen hen, en de ruiterij
1153 9, 11| leger, en stond tegen hen, en de ruiterij was verdeeld
1154 9, 11| verdeeld in twee delen, en die met slingers en met
1155 9, 11| delen, en die met slingers en met bogen vochten hadden
1156 9, 11| voortocht voor het krijgsvolk, en al de machtigen waren gesteld
1157 9, 12| 12 En Bacchides was bij de rechtervleugel
1158 9, 12| rechtervleugel des krijgsvolks, en de slagorden, bestaande
1159 9, 12| die twee delen, naderden, en zij bliezen de trompetten.~
1160 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen
1161 9, 13| geluid des legers beefde, en zij vochten tegen elkander
1162 9, 14| 14 En Judas zag dat Bacchides,
1163 9, 14| Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger
1164 9, 14| aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van
1165 9, 15| 15 En de rechtervleugel werd geslagen
1166 9, 15| werd geslagen door dezen, en hij vervolgde hen tot de
1167 9, 16| 16 En die in de linkervleugel
1168 9, 16| hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van
1169 9, 17| 17 En de strijd werd geweldig,
1170 9, 17| de strijd werd geweldig, en daar vielen vele gekwetsten
1171 9, 17| vele gekwetsten aan de ene en de andere zijde.~
1172 9, 18| 18 En Judas viel ook, en de overigen
1173 9, 18| 18 En Judas viel ook, en de overigen namen de vlucht.~
1174 9, 19| 19 En Jonathan en Simon namen
1175 9, 19| 19 En Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder,
1176 9, 19| namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in het graf
1177 9, 20| 20 En geheel Israël beweende hem
1178 9, 20| geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over
1179 9, 20| rouw over hem vele dagen, en zeiden:~
1180 9, 22| 22 En hetgeen nog overig is te
1181 9, 22| overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke
1182 9, 22| Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij
1183 9, 22| daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan,
1184 9, 23| 23 En het geschiedde na de dood
1185 9, 23| Israël tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid
1186 9, 24| zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen.~
1187 9, 25| 25 En Bacchides verkoor goddeloze
1188 9, 25| verkoor goddeloze mannen en stelde hen tot heren des
1189 9, 26| 26 En zij zochten de vrienden
1190 9, 26| zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten
1191 9, 26| Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides,
1192 9, 26| Bacchides, die hen strafte en bespotte.~
1193 9, 28| Judas bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:~
1194 9, 29| trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen
1195 9, 29| vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden
1196 9, 30| te zijn in zijn plaats, en veldoverste, om onze oorlog
1197 9, 31| 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid
1198 9, 31| het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats
1199 9, 32| 32 En Bacchides dat vernemende,
1200 9, 33| 33 En Jonathan en zijn broeder
1201 9, 33| 33 En Jonathan en zijn broeder Simon, en allen
1202 9, 33| Jonathan en zijn broeder Simon, en allen die met hem waren,
1203 9, 33| vloden in de woestijn Thekoa, en legerden zich bij het water
1204 9, 35| 35 En Jonathan zond zijn broeder,
1205 9, 36| 36 En de kinderen van Ambri deden
1206 9, 36| deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes, en al wat
1207 9, 36| Medeba, en kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende,
1208 9, 36| Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn zij weer
1209 9, 37| 37 En na deze zaken werd aan Jonathan
1210 9, 37| zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt,
1211 9, 37| grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat
1212 9, 38| broeder Johannes, optrokken en zich verborgen in een hol
1213 9, 39| 39 En hun ogen opslaande, zagen
1214 9, 39| ogen opslaande, zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis,
1215 9, 39| ziet daar kwam een gedruis, en grote toebereiding, en de
1216 9, 39| en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden
1217 9, 39| toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broeders
1218 9, 39| bruidegom en zijn vrienden en broeders gingen uit hun
1219 9, 39| met vele trommelen, muziek en wapenen.~
1220 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage
1221 9, 40| uit hun lage tegen hen, en doodden hen, en vele gekwetsten
1222 9, 40| tegen hen, en doodden hen, en vele gekwetsten vielen,
1223 9, 40| vele gekwetsten vielen, en de overgeblevenen vloden
1224 9, 40| overgeblevenen vloden naar de berg; en zij kregen al hun buit.~
1225 9, 41| 41 En zo werd de bruiloft veranderd
1226 9, 41| bruiloft veranderd in treuren, en het geluid hunner muziek
1227 9, 42| 42 En zij deden alzo wraak over
1228 9, 42| het bloed van hun broeder, en keerden weder aan de kant
1229 9, 44| 44 En Jonathan zeide tot degenen
1230 9, 44| waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor onze zielen,
1231 9, 44| heden niet gelijk gisteren en eergisteren.~
1232 9, 45| hebben de oorlog voor ons en achter ons, en het water
1233 9, 45| voor ons en achter ons, en het water van de Jordaan
1234 9, 45| de Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde, alsook
1235 9, 45| zijde, alsook het moeras en kreupelbos, en daar is geen
1236 9, 45| het moeras en kreupelbos, en daar is geen plaats om te
1237 9, 47| 47 En de strijd ving aan, en Jonathan
1238 9, 47| 47 En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand
1239 9, 47| uit om Bacchides te slaan, en hij ontweek hem naar achteren.~
1240 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem
1241 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen
1242 9, 48| sprongen in de Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen
1243 9, 48| Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen niet over de
1244 9, 49| 49 En aan de zijde van Bacchides
1245 9, 49| dag omtrent duizend man, en hij keerde weder naar Jeruzalem.~
1246 9, 50| 50 En hij bouwde sterke steden
1247 9, 50| sterke steden in Judea, en de sterkte in Jericho, en
1248 9, 50| en de sterkte in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni,
1249 9, 50| sterkte in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo,
1250 9, 50| Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten,
1251 9, 50| met hoge muren, poorten, en grendels.~
1252 9, 51| 51 En zij stelden daarin bezetting,
1253 9, 52| 52 En hij maakte de stad van Bethsura
1254 9, 52| stad van Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij
1255 9, 52| Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin
1256 9, 52| sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin krijgslieden
1257 9, 52| stelde daarin krijgslieden en voorraad van spijs.~
1258 9, 53| 53 En hij nam de zonen van de
1259 9, 53| des lands tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht
1260 9, 54| 54 En in het honderdendrieënvijftigste
1261 9, 54| heiligdoms zou afgebroken worden, en hij verbrak de werken der
1262 9, 54| de werken der profeten, en hij begon het te verbreken.~
1263 9, 55| 55 En in dezelfde tijd werd Alcimus
1264 9, 55| Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd,
1265 9, 55| werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten,
1266 9, 55| zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en
1267 9, 55| en hij werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord
1268 9, 56| 56 En Alcimus stierf in dezelfde
1269 9, 57| 57 En als Bacchides zag dat Alcimus
1270 9, 57| hij weder tot de koning, en het land Juda was in rust
1271 9, 58| 58 En al de verbrekers der wet
1272 9, 58| verbrekers der wet hielden raad, en zeiden: Ziet, Jonathan en
1273 9, 58| en zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in
1274 9, 58| nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen
1275 9, 59| 59 En zij reisden heen en beraadslaagden
1276 9, 59| 59 En zij reisden heen en beraadslaagden met hem.~
1277 9, 60| 60 En hij brak op en kwam met
1278 9, 60| 60 En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht,
1279 9, 60| met een grote krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven
1280 9, 60| Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden
1281 9, 61| 61 En zij grepen van de mannen
1282 9, 61| boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen.~
1283 9, 62| 62 En Jonathan, en Simon, en die
1284 9, 62| 62 En Jonathan, en Simon, en die met hen waren,
1285 9, 62| 62 En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken
1286 9, 62| in de woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar
1287 9, 62| hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.~
1288 9, 63| vergaderde hij al zijn menigte, en ontbood ook die in Judea
1289 9, 64| 64 En hij kwam en legerde zich
1290 9, 64| 64 En hij kwam en legerde zich tegen Bethbasi,
1291 9, 64| legerde zich tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen,
1292 9, 64| bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten van
1293 9, 65| 65 En Jonathan liet zijn broeder
1294 9, 65| broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het land,
1295 9, 65| hij trok uit in het land, en kwam weder met een groot
1296 9, 66| 66 Hij sloeg Odomer en zijn broeders, en de zonen
1297 9, 66| Odomer en zijn broeders, en de zonen van Fasiron in
1298 9, 66| van Fasiron in hun tenten; en als hij begon te slaan,
1299 9, 66| als hij begon te slaan, en met zijn krijgsvolk op te
1300 9, 67| 67 Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen
1301 9, 67| uitgevallen uit de stad, en verbrandde de instrumenten
1302 9, 68| 68 En zij vochten tegen Bacchides,
1303 9, 68| vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen,
1304 9, 68| werd door hen geslagen, en zij drukten hem gans zeer,
1305 9, 68| gans zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was.~
1306 9, 69| 69 En zij werden toornig in hun
1307 9, 69| hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit
1308 9, 69| doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om
1309 9, 70| 70 En Jonathan dit verstaande,
1310 9, 70| met hem vrede te maken, en dat de gevangenen hun mochten
1311 9, 71| 71 En Bacchides nam de vrede aan,
1312 9, 71| Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden,
1313 9, 71| deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem
1314 9, 72| 72 En hij gaf hem de gevangenen
1315 9, 72| Juda gevangen had genomen; en wedergekeerd zijnde trok
1316 9, 72| trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weder ondernomen
1317 9, 73| 73 En zo rustte het zwaard in
1318 9, 73| rustte het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen in Michmas;
1319 9, 73| Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk
1320 9, 73| begon het volk te richten, en maakte dat de goddelozen
1321 10, 1 | 1 En in het honderdenzestigste
1322 10, 1 | toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij
1323 10, 1 | op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij
1324 10, 1 | Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.~
1325 10, 2 | 2 En de koning Demetrius dat
1326 10, 2 | vergaderde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.~
1327 10, 3 | 3 En Demetrius zond Jonathan
1328 10, 5 | tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broeders, en
1329 10, 5 | en tegen zijn broeders, en tegen zijn volk.~
1330 10, 6 | 6 En hij gaf hem macht om krijgsvolk
1331 10, 6 | krijgsvolk te vergaderen, en de wapenen gereed te maken;
1332 10, 6 | wapenen gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot
1333 10, 6 | in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de
1334 10, 7 | 7 En Jonathan kwam te Jeruzalem,
1335 10, 7 | Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor
1336 10, 7 | de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht
1337 10, 8 | 8 En zij vreesden met grote vreze,
1338 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven
1339 10, 9 | gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun
1340 10, 10| 10 En Jonathan woonde te Jeruzalem,
1341 10, 10| Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te
1342 10, 10| begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.~
1343 10, 11| 11 En hij gebood de werklieden,
1344 10, 11| de muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met
1345 10, 11| stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.~
1346 10, 12| 12 En de vreemdelingen, die in
1347 10, 13| 13 En een ieder verliet zijn plaats,
1348 10, 13| ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land.~
1349 10, 14| van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden,
1350 10, 15| 15 En Alexander, de koning, horende
1351 10, 15| hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij
1352 10, 15| daden, die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid,
1353 10, 15| gedaan had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan
1354 10, 16| hem tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot.~
1355 10, 17| 17 En hij schreef aan hem brieven
1356 10, 17| schreef aan hem brieven en zond die aan hem, van deze
1357 10, 19| machtig man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt om
1358 10, 20| 20 En nu wij stellen u op deze
1359 10, 20| hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning
1360 10, 20| koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen
1361 10, 20| hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende:
1362 10, 20| Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap
1363 10, 21| 21 En Jonathan trok de heilige
1364 10, 21| het feest der Loofhutten, en hij vergaderde krijgsvolk,
1365 10, 21| hij vergaderde krijgsvolk, en maakte vele wapenen gereed.~
1366 10, 22| Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd, en zeide:~
1367 10, 22| dingen, en werd bedroefd, en zeide:~
1368 10, 24| schrijven woorden van vermaning, en van hoogheid, en van geschenken,
1369 10, 24| vermaning, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij
1370 10, 25| 25 En hij schreef hun met deze
1371 10, 26| verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven zijt in onze vriendschap,
1372 10, 26| zijt in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet
1373 10, 26| begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.~
1374 10, 27| 27 En nu blijft nog daarin, dat
1375 10, 27| dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds
1376 10, 28| vele lasten kwijtschelden, en u geschenken geven.~
1377 10, 29| 29 En nu stel ik u vrij, en ik
1378 10, 29| 29 En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle,
1379 10, 29| de Joden, van de tollen, en van de impost van het zout,
1380 10, 29| de impost van het zout, en van de kroongelden, en van
1381 10, 29| en van de kroongelden, en van het derde deel van het
1382 10, 30| 30 En van de helft der boomvruchten,
1383 10, 30| ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat gij die
1384 10, 30| ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij
1385 10, 30| zijn van het land Samarië en van Galilea, en dat van
1386 10, 30| Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag
1387 10, 31| 31 En Jeruzalem zij heilig, en
1388 10, 31| En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar landpalen,
1389 10, 31| vrij met haar landpalen, en tienden, en tollen.~
1390 10, 31| haar landpalen, en tienden, en tollen.~
1391 10, 32| burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester,
1392 10, 33| 33 En alle ziel der Joden, die
1393 10, 33| koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen
1394 10, 34| 34 En alle feestdagen, en sabbatten
1395 10, 34| 34 En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden,
1396 10, 34| feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere
1397 10, 34| sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen,
1398 10, 34| andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest,
1399 10, 34| drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest,
1400 10, 34| zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.~
1401 10, 36| 36 En uit de Joden zullen tot
1402 10, 36| worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven,
1403 10, 36| krijgslieden des konings. En uit hen zullen gesteld worden
1404 10, 37| 37 En uit dezen zullen ook gesteld
1405 10, 37| waar trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en
1406 10, 37| en die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit
1407 10, 37| dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar
1408 10, 38| 38 En aangaande de drie streken,
1409 10, 39| 39 De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende,
1410 10, 40| 40 En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend
1411 10, 41| 41 En al dat nog overschiet, dat
1412 10, 42| 42 En boven deze, de vijfduizend
1413 10, 43| 43 En allen, die in de tempel
1414 10, 43| Jeruzalem zullen vluchten, en die in al de landpalen daarvan
1415 10, 43| zullen losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk
1416 10, 44| 44 En tot het opbouwen en vernieuwen
1417 10, 44| 44 En tot het opbouwen en vernieuwen van de werken
1418 10, 45| Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk te maken, zullen
1419 10, 45| de rekening des konings; en ook tot het opbouwen van
1420 10, 46| 46 Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden,
1421 10, 46| geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat
1422 10, 46| hij in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt
1423 10, 47| woorden van vrede was geweest; en zij hielden het met hem
1424 10, 48| 48 En de koning Alexander vergaderde
1425 10, 48| vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.~
1426 10, 49| 49 En deze twee koningen begonnen
1427 10, 49| koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius
1428 10, 49| Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het,
1429 10, 49| Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.~
1430 10, 50| 50 En als hij zeer sterk aanhield
1431 10, 51| 51 En Alexander zond aan Ptolomeüs
1432 10, 52| land van mijn koninkrijk, en gezeten ben op de troon
1433 10, 52| de troon mijner vaderen, en het gebied bemachtigd heb,
1434 10, 52| het gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende,
1435 10, 53| 53 En tegen hem heb gestreden,
1436 10, 53| tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons
1437 10, 53| hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen
1438 10, 53| leger door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon
1439 10, 54| elkander vriendschap maken, en geef gij nu uw dochter mij
1440 10, 54| dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn,
1441 10, 54| zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken
1442 10, 54| schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven, die
1443 10, 55| 55 En de koning Ptolomeüs antwoordde,
1444 10, 55| koning Ptolomeüs antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag,
1445 10, 55| in het land uwer vaderen, en gezeten zijt op de troon
1446 10, 56| 56 En nu ik zal u doen hetgeen
1447 10, 56| wij elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon
1448 10, 57| 57 En Ptolomeüs trok uit Egypte,
1449 10, 57| Ptolomeüs trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra;
1450 10, 57| zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs
1451 10, 58| 58 En de koning Alexander ontmoette
1452 10, 58| Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn
1453 10, 58| Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in Ptolomaïs,
1454 10, 59| 59 En de koning Alexander schreef
1455 10, 60| 60 En hij reisde met grote heerlijkheid
1456 10, 60| heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen,
1457 10, 60| ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden,
1458 10, 60| de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en
1459 10, 60| en hun vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en
1460 10, 60| vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en hij vond
1461 10, 60| en goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen.~
1462 10, 61| 61 En daar vergaderden tegen hem
1463 10, 62| klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou
1464 10, 62| aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij
1465 10, 63| 63 En zeide tot zijn oversten:
1466 10, 63| het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat
1467 10, 63| enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe
1468 10, 64| 64 En het geschiedde, als zijn
1469 10, 64| gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed
1470 10, 65| 65 En de koning verheerlijkte
1471 10, 65| koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste
1472 10, 65| zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste
1473 10, 65| overste van het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.~
1474 10, 66| 66 En Jonathan keerde weder naar
1475 10, 66| naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.~
1476 10, 67| 67 En in het honderdenvijfenzestigste
1477 10, 68| 68 En Alexander, dat horende,
1478 10, 68| horende, werd zeer bedroefd, en keerde weder naar Antiochië.~
1479 10, 69| 69 En Demetrius stelde Apollonius,
1480 10, 69| over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht,
1481 10, 69| vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia,
1482 10, 69| legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester,
1483 10, 70| alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een
1484 10, 70| om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden; waarom
1485 10, 71| ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkander
1486 10, 72| 72 Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie
1487 10, 72| daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die
1488 10, 72| anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat
1489 10, 73| 73 En nu, gij zult niet kunnen
1490 10, 73| bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht,
1491 10, 74| ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend
1492 10, 74| verkoor tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon,
1493 10, 74| en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette
1494 10, 75| 75 En hij legerde zich tegen Joppe,
1495 10, 75| legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad,
1496 10, 75| Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.~
1497 10, 76| 76 En die van de stad, vrezende,
1498 10, 76| stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe.~
1499 10, 77| van drieduizend ruiters en veel krijgsvolk;~
1500 10, 78| 78 En hij trok naar Azote, alsof
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287 |