1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287
Chapter, Verse
1501 10, 78| daar door wilde reizen, en meteen trok bij naar het
1502 10, 78| menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.~
1503 10, 79| 79 En Jonathan vervolgde hem van
1504 10, 79| van achteren naar Azote, en de legers raakten met elkaar
1505 10, 80| 80 En Apollonius liet achter hen
1506 10, 81| 81 En Jonathan vernam dat achter
1507 10, 81| hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger,
1508 10, 81| omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op
1509 10, 81| morgens vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk
1510 10, 81| gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.~
1511 10, 82| 82 En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht
1512 10, 82| de ruiterij was afgemat, en zij werden door hem geslagen
1513 10, 82| werden door hem geslagen en zij vloden;~
1514 10, 83| 83 En de ruiterij werd verstrooid
1515 10, 83| verstrooid in het vlakke veld, en vloden naar Azote, en begaven
1516 10, 83| veld, en vloden naar Azote, en begaven zich in Beth-Dagon,
1517 10, 84| 84 En Jonathan verbrandde Azote
1518 10, 84| Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar,
1519 10, 84| al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde
1520 10, 84| haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel
1521 10, 85| 85 En die met het zwaard waren
1522 10, 86| 86 En Jonathan trok vandaar op,
1523 10, 86| Jonathan trok vandaar op, en legerde zich tegen Askalon,
1524 10, 86| legerde zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit
1525 10, 87| 87 En Jonathan keerde weder naar
1526 10, 88| 88 En het geschiedde, toen de
1527 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden
1528 10, 89| koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron
1529 11, 1 | zand aan de oever der zee en vele schepen, en hij zocht
1530 11, 1 | der zee en vele schepen, en hij zocht het koninkrijk
1531 11, 1 | bemachtigen met bedrog, en het te brengen aan zijn
1532 11, 2 | 2 En hij trok in Syrië met vreedzame
1533 11, 2 | Syrië met vreedzame woorden, en die van de steden openden
1534 11, 2 | openden hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar
1535 11, 3 | 3 En als Ptolomeüs nu in de steden
1536 11, 4 | 4 En toen hij nabij Azote kwam,
1537 11, 4 | Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden
1538 11, 4 | haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen,
1539 11, 4 | dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die
1540 11, 5 | 5 En zij vertelden de koning
1541 11, 5 | om hem veracht te maken; en de koning zweeg,~
1542 11, 6 | 6 En Jonathan kwam de koning
1543 11, 6 | met grote heerlijkheid, en zij groetten elkander en
1544 11, 6 | en zij groetten elkander en zij sliepen aldaar.~
1545 11, 7 | 7 En Jonathan reisde met de koning
1546 11, 7 | rivier, genoemd Eleutherus, en keerde weder naar Jeruzalem.~
1547 11, 9 | 9 En hij zond gezanten aan de
1548 11, 9 | elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven
1549 11, 9 | geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over
1550 11, 11| 11 En hij maakte hem veracht,
1551 11, 12| 12 En hij nam zijn dochter weg,
1552 11, 12| hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius,
1553 11, 12| haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd,
1554 11, 12| van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.~
1555 11, 13| 13 En Ptolomeüs kwam te Antiochië,
1556 11, 13| Ptolomeüs kwam te Antiochië, en zette op zijn hoofd twee
1557 11, 13| koninklijke hoeden, een van Azië, en een van Egypte.~
1558 11, 14| 14 En de koning Alexander was
1559 11, 15| 15 En Alexander, dit horende,
1560 11, 15| om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs toog uit, en ontmoette
1561 11, 15| en Ptolemeüs toog uit, en ontmoette hem met een sterke
1562 11, 15| hem met een sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht.~
1563 11, 16| 16 En Alexander vlood naar Arabië,
1564 11, 17| 17 En Zabdiël, de Arabier, sloeg
1565 11, 17| Alexander het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs.~
1566 11, 18| 18 En de koning Ptolomeüs stierf
1567 11, 18| stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten
1568 11, 19| 19 En Demetrius werd koning in
1569 11, 20| te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten
1570 11, 21| 21 En sommigen, die hun eigen
1571 11, 21| reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat Jonathan
1572 11, 22| 22 En hij, dit horende, werd gram;
1573 11, 22| dit horende, werd gram; en zodra hij het hoorde, spande
1574 11, 22| spande hij terstond aan, en kwam te Ptolomaïs, en schreef
1575 11, 22| aan, en kwam te Ptolomaïs, en schreef aan Jonathan dat
1576 11, 22| het beleg zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste
1577 11, 23| belegering zou voortgaan, en hij verkoos enige van de
1578 11, 23| de ouderlingen Israëls, en van de priesters, en begaf
1579 11, 23| Israëls, en van de priesters, en begaf zichzelf in het gevaar.~
1580 11, 24| 24 En hij nam met zich zilver,
1581 11, 24| hij nam met zich zilver, en goud en kostelijke klederen,
1582 11, 24| met zich zilver, en goud en kostelijke klederen, en
1583 11, 24| en kostelijke klederen, en andere geschenken zeer vele,
1584 11, 24| andere geschenken zeer vele, en hij reisde naar de koning
1585 11, 24| de koning te Ptolomaïs, en hij vond genade bij hem.~
1586 11, 25| 25 En enige goddelozen uit het
1587 11, 26| voor hem waren geweest, en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid
1588 11, 27| 27 En hij bevestigde hem in het
1589 11, 27| in het hogepriesterschap, en in alle andere zaken, waarmee
1590 11, 27| tevoren was vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste
1591 11, 28| 28 En Jonathan verzocht de koning
1592 11, 28| de koning dat hij Judea, en de drie streken, en het
1593 11, 28| Judea, en de drie streken, en het land van Samarië vrij
1594 11, 28| Samarië vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd
1595 11, 29| 29 En de koning vond dat goed,
1596 11, 29| de koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan
1597 11, 30| wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.~
1598 11, 32| die onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen
1599 11, 33| streken, Aferema, Lydda en Ramatha, welke van het land
1600 11, 33| gevoegd zijn bij Judea; en al hetgeen wat daaraan behoort,
1601 11, 33| die te Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke
1602 11, 33| van het gewas der aarde, en van de boomvruchten.~
1603 11, 34| 34 En al de andere inkomsten,
1604 11, 34| tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden
1605 11, 34| toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren,
1606 11, 35| 35 En geen ding van deze alle
1607 11, 36| deze alle gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven,
1608 11, 36| het aan Jonathan geven, en gesteld worden op de heilige
1609 11, 36| heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.~
1610 11, 37| 37 En Demetrius ziende dat het
1611 11, 37| voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich
1612 11, 37| van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom
1613 11, 38| 38 En daar was een zekere Tryfon
1614 11, 39| 39 En hij hield bij hem aan, dat
1615 11, 39| plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius
1616 11, 39| Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk
1617 11, 39| krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.~
1618 11, 40| 40 En Jonathan zond brieven tot
1619 11, 40| de burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren, zou
1620 11, 41| 41 En Demetrius zond aan Jonathan,
1621 11, 41| niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met
1622 11, 41| heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer
1623 11, 43| 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië
1624 11, 43| Antiochië drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen
1625 11, 43| kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning,
1626 11, 43| die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd
1627 11, 44| 44 En die van de stad vergaderden
1628 11, 44| honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.~
1629 11, 45| 45 En de koning vluchtte op het
1630 11, 45| op het koninklijke hof, en die van de stad namen de
1631 11, 45| de toegangen der stad in, en begonnen hem te bestrijden.~
1632 11, 46| 46 En de koning riep de Joden
1633 11, 46| koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te
1634 11, 46| allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door de
1635 11, 47| 47 En zij doodden in de stad op
1636 11, 47| dag honderdduizend man, en staken de stad in brand,
1637 11, 47| staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote
1638 11, 47| kregen op die dag grote buit, en verlosten de koning.~
1639 11, 48| 48 En die van de stad ziende dat
1640 11, 48| gemoed verslagen geworden, en riepen tot de koning met
1641 11, 49| Geef ons de rechter hand, en laat de Joden ophouden ons
1642 11, 49| laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.~
1643 11, 50| 50 En zij wierpen hun wapenen
1644 11, 50| wierpen hun wapenen weg, en maakten vrede; en de Joden
1645 11, 50| wapenen weg, en maakten vrede; en de Joden bekwamen grote
1646 11, 50| die in zijn rijk waren; en zij keerden weder naar Jeruzalem,
1647 11, 51| 51 En de koning Demetrius ging
1648 11, 51| troon van zijn koninkrijk, en het land was voor hem in
1649 11, 52| 52 En hij hield niet van hetgeen
1650 11, 52| hetgeen hij beloofd had, en werd vervreemd van Jonathan,
1651 11, 52| vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet naar
1652 11, 53| 53 En na deze is Tryfon wedergekeerd,
1653 11, 53| is Tryfon wedergekeerd, en Antiochus, het jonge kind,
1654 11, 53| het jonge kind, met hem, en dat werd koning, en hij
1655 11, 53| hem, en dat werd koning, en hij zette hem de koninklijke
1656 11, 54| 54 En tot hem vergaderden al de
1657 11, 54| Demetrius afgedankt had, en die streden tegen hem, en
1658 11, 54| en die streden tegen hem, en hij vlood, en werd op de
1659 11, 54| tegen hem, en hij vlood, en werd op de vlucht gedreven.~
1660 11, 55| 55 En Tryfon kreeg de beesten,
1661 11, 55| Tryfon kreeg de beesten, en bemachtigde de stad van
1662 11, 56| 56 En de jonge Antiochus schreef
1663 11, 56| in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken,
1664 11, 56| u over de vier streken, en dat gij een van de vrienden
1665 11, 57| 57 En hij zond hem veel goudwerk
1666 11, 57| goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf hem macht om te
1667 11, 57| mogen drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen,
1668 11, 57| een purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben.~
1669 11, 58| 58 En hij stelde zijn broeder
1670 11, 59| 59 En Jonathan trok uit, en reisde
1671 11, 59| 59 En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door
1672 11, 59| rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van
1673 11, 59| hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en
1674 11, 59| en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem
1675 11, 60| 60 En hij vertrok vandaar naar
1676 11, 60| vertrok vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten
1677 11, 60| belegerde hij haar rondom, en verbrandde haar voorsteden
1678 11, 60| haar voorsteden met vuur, en plunderde ze.~
1679 11, 61| 61 En die van Gaza baden Jonathan,
1680 11, 61| van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand,
1681 11, 61| gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner
1682 11, 61| oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem,
1683 11, 61| zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot
1684 11, 63| hun tegemoet getrokken; en liet zijn broeder Simon
1685 11, 64| 64 En Simon belegerde Bethsura,
1686 11, 64| Simon belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele
1687 11, 64| bestormde de stad vele dagen, en hield haar besloten.~
1688 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de
1689 11, 65| rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef
1690 11, 65| hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar,
1691 11, 65| hij verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde
1692 11, 65| vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin.~
1693 11, 66| tegen het meer Gennesareth, en des morgens vroeg trokken
1694 11, 67| 67 En ziet, het leger der vreemden
1695 11, 67| ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een hinderlaag
1696 11, 67| tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten hen van voren.~
1697 11, 68| 68 En de hinderlaag brak op uit
1698 11, 68| brak op uit haar plaatsen, en leverde hun slag.~
1699 11, 69| 69 En allen die bij Jonathan waren,
1700 11, 69| waren, namen de vlucht, en daar was niet een van dezen
1701 11, 69| Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi,
1702 11, 70| 70 En Jonathan verscheurde zijn
1703 11, 70| verscheurde zijn klederen, en legde aarde op zijn hoofd,
1704 11, 70| legde aarde op zijn hoofd, en bad God.~
1705 11, 71| 71 En hij keerde weder tot hen,
1706 11, 71| hij keerde weder tot hen, en streed, en hij dreef hen
1707 11, 71| weder tot hen, en streed, en hij dreef hen op de vlucht,
1708 11, 71| dreef hen op de vlucht, en zij vloden.~
1709 11, 72| keerden weder tot hem, en vervolgden hen met hem tot
1710 11, 72| toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich daar.~
1711 11, 73| 73 En daar vielen van de vreemden
1712 11, 73| dag, tot drieduizend man, en Jonathan keerde weder naar
1713 12, 1 | gunstig was, verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de
1714 12, 1 | vriendschap met hen te bevestigen, en weder te vernieuwen.~
1715 12, 2 | 2 En hij zond ook aan de Spartiaten,
1716 12, 2 | zond ook aan de Spartiaten, en andere plaatsen brieven
1717 12, 3 | 3 En zij reisden naar Rome, en
1718 12, 3 | En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden:
1719 12, 3 | Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester,
1720 12, 3 | Jonathan, de hogepriester, en het volk der Joden hebben
1721 12, 3 | vernieuwen de vriendschap en gemeenschap van wapenen,
1722 12, 4 | 4 En zij gaven hun brieven aan
1723 12, 5 | 5 En dit is het afschrift van
1724 12, 6 | Jonathan de hogepriester, en de raad des volks, en de
1725 12, 6 | hogepriester, en de raad des volks, en de priesters, en het andere
1726 12, 6 | volks, en de priesters, en het andere volk der Joden
1727 12, 8 | 8 En daar Onias de man, die daarmee
1728 12, 8 | eerlijk heeft ontvangen, en de brieven aangenomen, in
1729 12, 8 | gemeenschap van wapenen, en vriendschap;~
1730 12, 10| zenden, om de broederschap en vriendschap, die wij met
1731 12, 11| ófferanden die wij offeren, en ook in onze gebeden, gelijk
1732 12, 11| gebeden, gelijk het behoort en betamelijk is de broederen
1733 12, 12| 12 En wij verheugen ons ook over
1734 12, 13| aangaat, vele verdrukkingen en vele oorlogen omringen ons,
1735 12, 13| vele oorlogen omringen ons, en al de koningen, die rondom
1736 12, 14| 14 Wij hebben dan ulieden en onze andere bondgenoten
1737 12, 14| onze andere bondgenoten en vrienden in deze oorlogen
1738 12, 15| hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn verlost van onze
1739 12, 15| verlost van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.~
1740 12, 16| Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon,
1741 12, 16| Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan
1742 12, 16| de voorgaande vriendschap en gemeenschap van wapenen
1743 12, 17| 17 En wij hebben hun gelast, dat
1744 12, 17| ook tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren
1745 12, 17| zouden reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven
1746 12, 18| 18 En voorts zult gij wel doen,
1747 12, 21| aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broeders
1748 12, 21| dat zij broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht
1749 12, 22| 22 En nu nadat wij deze dingen
1750 12, 23| 23 En wij schrijven u weder, uw
1751 12, 23| schrijven u weder, uw vee en al wat gij hebt, is ons,
1752 12, 23| al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw.
1753 12, 24| 24 En Jonathan, horende dat de
1754 12, 25| 25 Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het
1755 12, 26| 26 En hij zond verspieders in
1756 12, 27| hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich
1757 12, 27| en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de
1758 12, 27| strijd, de gehele nacht; en hij stelde buitenwachten
1759 12, 28| 28 En de vijanden hoorden dat
1760 12, 28| vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de
1761 12, 28| de strijd gereed waren, en vreesden, en werden in hun
1762 12, 28| gereed waren, en vreesden, en werden in hun hart verslagen,
1763 12, 28| werden in hun hart verslagen, en ontstaken vuren in hun leger,
1764 12, 28| ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.~
1765 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem
1766 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten
1767 12, 30| 30 En Jonathan vervolgde hen achterna,
1768 12, 30| vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want
1769 12, 31| 31 En Jonathan week heen naar
1770 12, 31| Arabieren genoemd Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg
1771 12, 31| Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg hun buit.~
1772 12, 32| 32 En optrekkende, kwam hij naar
1773 12, 32| kwam hij naar Damaskus, en trok door het ganse land.~
1774 12, 33| 33 En Simon toog uit, en doortrok
1775 12, 33| 33 En Simon toog uit, en doortrok het land af tot
1776 12, 33| land af tot Askalon toe, en tot de naaste sterkten,
1777 12, 33| tot de naaste sterkten, en week heen naar Joppe, en
1778 12, 33| en week heen naar Joppe, en nam het in.~
1779 12, 35| 35 En Jonathan keerde weder, en
1780 12, 35| En Jonathan keerde weder, en riep de ouderlingen van
1781 12, 35| ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen raad, om sterkten
1782 12, 36| 36 En om de muren van Jeruzalem
1783 12, 36| Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te
1784 12, 36| midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad
1785 12, 36| dat hij alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen
1786 12, 37| 37 En zij vergaderden om de stad
1787 12, 37| om de stad op te bouwen, en hij kwam bij de muur aan
1788 12, 37| die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats,
1789 12, 38| 38 En Simon bouwde Adida in Sefala,
1790 12, 38| bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren en grendelen.~
1791 12, 38| Sefala, en sterkte de deuren en grendelen.~
1792 12, 39| 39 En Tryfon zocht in Azië als
1793 12, 39| Azië als koning te regeren, en een koninklijke hoed op
1794 12, 39| koninklijke hoed op te zetten, en zijn hand te slaan aan de
1795 12, 40| 40 En vrezende, dat Jonathan hem
1796 12, 40| mogelijk niet zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen
1797 12, 40| middelen om hem te krijgen en om te brengen.~
1798 12, 41| 41 En opbrekende, kwam hij tot
1799 12, 41| opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet
1800 12, 41| ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan.~
1801 12, 42| 42 En Tryfon ziende dat hij daar
1802 12, 43| ontving hem met grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden,
1803 12, 43| hem aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte
1804 12, 43| en gaf hem geschenken, en gelastte al zijn vrienden,
1805 12, 44| 44 En hij sprak Jonathan aldus
1806 12, 45| dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige
1807 12, 45| die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot
1808 12, 45| herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad
1809 12, 45| zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en
1810 12, 45| en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten,
1811 12, 45| de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten
1812 12, 45| inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken,
1813 12, 45| zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer
1814 12, 46| 46 En hij, hem gelovende, deed
1815 12, 46| deed gelijk hij zeide, en hij zond het krijgsvolk
1816 12, 46| zond het krijgsvolk heen, en zij trokken naar het land
1817 12, 47| 47 En hij liet bij zich blijven
1818 12, 47| tweeduizend liet gaan in Galilea, en duizend trokken met hem.~
1819 12, 48| poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard
1820 12, 49| 49 En Tryfon zond krijgsmachten
1821 12, 49| Tryfon zond krijgsmachten en ruiterij naar het land van
1822 12, 49| naar het land van Galilea, en naar het grote vlakke veld,
1823 12, 50| hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen was, en die met
1824 12, 50| gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden
1825 12, 50| vermaanden zij elkander, en zij trokken dicht aaneengesloten,
1826 12, 51| 51 En degenen, die hen vervolgden,
1827 12, 52| 52 En zij kwamen allen in het
1828 12, 52| allen in het land van Juda, en beweenden Jonathan, en die
1829 12, 52| en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest,
1830 12, 52| die met hem waren geweest, en zij vreesden zeer, en het
1831 12, 52| geweest, en zij vreesden zeer, en het ganse Israël bedreef
1832 12, 54| ons hen nu dan bestrijden, en laat ons hun gedachtenis
1833 13, 1 | 1 En Simon, horende dat Tryfon
1834 13, 1 | naar het land van Juda, en het te verdrukken;~
1835 13, 2 | 2 En ziende dat het volk zeer
1836 13, 2 | dat het volk zeer beangst en bevreesd was, ging hij op
1837 13, 2 | ging hij op naar Jeruzalem, en vergaderde het volk,~
1838 13, 3 | 3 En vermaande hen, en zeide
1839 13, 3 | 3 En vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet
1840 13, 3 | hen: Gij weet zelf, wat ik en mijn broeders, en het huis
1841 13, 3 | wat ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders gedaan
1842 13, 3 | gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en de
1843 13, 3 | wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden,
1844 13, 3 | heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden, die wij
1845 13, 4 | omgekomen, om Israëls wil, en ik alleen ben overgebleven.~
1846 13, 5 | 5 En nu het zij verre van mij,
1847 13, 6 | wraak doen voor mijn volk, en voor het heiligdom, en voor
1848 13, 6 | en voor het heiligdom, en voor uw vrouwen en kinderen;
1849 13, 6 | heiligdom, en voor uw vrouwen en kinderen; daar al de heidenen
1850 13, 7 | 7 En hij wekte de geest des volks
1851 13, 8 | 8 En zij antwoordden met een
1852 13, 8 | overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.~
1853 13, 9 | 9 Voer gij onze oorlog, en wij zullen alles doen wat
1854 13, 10| 10 En hij vergaderde alle strijdbare
1855 13, 10| Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte de stad rondom.~
1856 13, 11| 11 En hij zond Jonathan, de zoon
1857 13, 11| Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een grote macht,
1858 13, 11| grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen
1859 13, 11| degenen die daarin waren, en hij bleef aldaar.~
1860 13, 12| 12 En Tryfon brak op van Ptolomaïs,
1861 13, 12| land van Juda te komen; en Jonathan was bij hem in
1862 13, 14| 14 En Tryfon, verstaan hebbende
1863 13, 14| van zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden,
1864 13, 16| honderd talenten zilver, en twee van zijn zonen tot
1865 13, 16| hij van ons niet afvalle, en wij zullen hem loslaten.~
1866 13, 17| 17 En Simon, hoewel hij wist dat
1867 13, 17| spraken, zond het geld, en de twee zoontjes, opdat
1868 13, 18| Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gezonden
1869 13, 19| Hij zond dan de zoontjes en honderd talenten; doch hij
1870 13, 19| bedroog hem met leugen, en liet Jonathan niet los.~
1871 13, 20| 20 En na deze kwam Tryfon, om
1872 13, 20| om in het land te vallen, en om dat te verwoesten, en
1873 13, 20| en om dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het
1874 13, 20| in het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken
1875 13, 20| ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen
1876 13, 21| 21 En die in de burcht waren zonden
1877 13, 21| komen door de woestijn, en hun proviand toezenden.~
1878 13, 22| om daarheen te trekken; en in die nacht had het zeer
1879 13, 22| had het zeer gesneeuwd, en hij trok vanwege de sneeuw
1880 13, 22| sneeuw niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis.~
1881 13, 23| 23 En toen hij tot Bascama naderde,
1882 13, 23| naderde, doodde hij Jonathan, en hij werd daar begraven.~
1883 13, 24| 24 En Tryfon keerde weder, en
1884 13, 24| En Tryfon keerde weder, en trok naar zijn land.~
1885 13, 25| 25 En Simon, enigen zendende,
1886 13, 25| van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin,
1887 13, 26| 26 En geheel Israël maakte een
1888 13, 26| zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen.~
1889 13, 27| 27 En Simon bouwde over het graf
1890 13, 27| het graf van zijn vader, en van zijn broeders, een gebouw,
1891 13, 27| zijn broeders, een gebouw, en trok het op met geslepen
1892 13, 27| geslepen stenen, van achteren en van voren zeer sierlijk.~
1893 13, 28| 28 En hij stelde daarop zeven
1894 13, 28| zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broeders.~
1895 13, 29| 29 En bij deze maakte hij enige
1896 13, 29| stellende enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren
1897 13, 29| wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen
1898 13, 31| 31 En Tryfon ging bedriegelijk
1899 13, 31| jonge koning Antiochus, en doodde hem.~
1900 13, 32| 32 En regeerde als koning in zijn
1901 13, 32| als koning in zijn plaats; en zette op de koninklijke
1902 13, 32| koninklijke hoed van Azië, en bracht een grote plaag over
1903 13, 33| 33 En Simon bouwde de sterkten
1904 13, 33| de sterkten van Judea op, en bemuurde ze met hoge torens,
1905 13, 33| bemuurde ze met hoge torens, en grote muren en torens, en
1906 13, 33| hoge torens, en grote muren en torens, en poorten, en grendels;
1907 13, 33| en grote muren en torens, en poorten, en grendels; en
1908 13, 33| muren en torens, en poorten, en grendels; en bestelde proviand
1909 13, 33| en poorten, en grendels; en bestelde proviand in de
1910 13, 34| 34 En Simon verkoor enige mannen,
1911 13, 35| 35 En Demetrius, de koning, zond
1912 13, 35| hem volgens deze woorden, en antwoordde hem, en schreef
1913 13, 35| woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige
1914 13, 36| de vriend der koningen, en de ouderlingen, en het ganse
1915 13, 36| koningen, en de ouderlingen, en het ganse Joodse volk, voorspoed.~
1916 13, 37| 37 De gouden kroon, en het bruine purperen kleed,
1917 13, 37| hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u
1918 13, 37| te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen,
1919 13, 38| hebben, dat zal vast zijn, en de sterkten, die gij gebouwd
1920 13, 39| kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag
1921 13, 39| tot op de dag van heden, en de kroongelden die gij schuldig
1922 13, 39| kroongelden die gij schuldig zijt; en zo er iets anders is te
1923 13, 40| 40 En zo er enigen onder u zijn
1924 13, 40| zij opgeschreven wordene, en laat tussen ons vrede zijn.~
1925 13, 42| 42 En het volk van Israël begon
1926 13, 42| schrijven in hun handschriften en koophandelingen: In het
1927 13, 42| grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman
1928 13, 42| hogepriester was, en veldoverste, en leidsman der Joden.~
1929 13, 43| Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom,
1930 13, 43| belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren,
1931 13, 43| hij maakte een stormtoren, en bracht die aan de stad,
1932 13, 43| bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren,
1933 13, 43| brak daarmee een toren, en nam hem in.~
1934 13, 44| 44 En die in deze stormtoren waren
1935 13, 44| sprongen uit in de stad, en daar geschiedde een grote
1936 13, 45| 45 En die van de stad kwamen op
1937 13, 45| op de muren met vrouwen en kinderen, hun klederen verscheurende,
1938 13, 45| klederen verscheurende, en riepen met een grote stem,
1939 13, 46| 46 En zeiden: Wil met ons niet
1940 13, 47| 47 En Simon liet zich bewegen
1941 13, 47| liet zich bewegen over hen, en verdelgde hen niet, maar
1942 13, 47| maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin
1943 13, 47| huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad,
1944 13, 47| de stad, Gode lofzingende en dankende.~
1945 13, 48| 48 En hij wierp uit haar alle
1946 13, 48| uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen
1947 13, 48| die de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en
1948 13, 48| en hij versterkte haar, en bouwde zichzelf daarin een
1949 13, 49| waren, werden verhinderd uit en in te gaan in het land,
1950 13, 49| gaan in het land, te kopen en te verkopen, en zij leden
1951 13, 49| te kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood,
1952 13, 49| leden grote hongersnood, en velen van hen stierven van
1953 13, 50| 50 En zij riepen tot Simon, dat
1954 13, 50| rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef
1955 13, 50| geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar uit, en
1956 13, 50| en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van
1957 13, 51| 51 En hij deed zijn intocht daarin
1958 13, 51| honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers,
1959 13, 51| lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen,
1960 13, 51| palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel,
1961 13, 51| citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen
1962 13, 51| cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen,
1963 13, 51| snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot
1964 13, 52| 52 En hij stelde in, dat die dag
1965 13, 53| 53 En hij versterkte de berg des
1966 13, 53| die bij de burcht was, en hij ging daar wonen met
1967 13, 54| over al het krijgsvolk, en hij woonde in Gazara.~ ~
1968 14, 1 | Demetrius zijn krijgsmacht, en trok naar Medië, om hulp
1969 14, 2 | Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius
1970 14, 3 | 3 Deze trok heen en sloeg het leger van Demetrius,
1971 14, 3 | het leger van Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht
1972 14, 3 | Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces,
1973 14, 3 | bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~
1974 14, 4 | welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid
1975 14, 4 | zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid was hun
1976 14, 5 | 5 En hij kreeg, boven al zijn
1977 14, 5 | heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat de eilanden
1978 14, 6 | 6 En hij verbreidde zijn volk
1979 14, 6 | zijn volk hun landpalen, en bemachtigde het land.~
1980 14, 7 | 7 En hij vergaderde vele gevangenen,
1981 14, 7 | vergaderde vele gevangenen, en vermeesterde Gazara en Bethsura,
1982 14, 7 | en vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht;
1983 14, 7 | vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de
1984 14, 7 | Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit
1985 14, 7 | onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich
1986 14, 8 | bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas,
1987 14, 8 | het land gaf zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~
1988 14, 9 | ouden zaten op de straten, en spraken allen met elkander
1989 14, 9 | elkander van goede dingen, en de jongelingen deden heerlijke
1990 14, 10| voorzag hij van proviand, en hij voorzag hen met allerlei
1991 14, 11| maakte vrede in het land en Israël verheugde zich met
1992 14, 12| 12 En een ieder zat onder zijn
1993 14, 12| zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was
1994 14, 12| wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed
1995 14, 13| hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld
1996 14, 14| onderzocht naarstig de wet, en nam weg alle verbrekers
1997 14, 14| alle verbrekers der wet en alle bozen.~
1998 14, 15| heiligdom verheerlijkte hij, en vermenigvuldigde de vaten
1999 14, 16| Als men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan
2000 14, 17| 17 En horende, dat Simon, zijn
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287 |