1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287
Chapter, Verse
2001 14, 17| hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd
2002 14, 17| het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;~
2003 14, 18| platen, om de vriendschap en gemeenschap van wapenen
2004 14, 18| gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.~
2005 14, 19| 19 En deze brieven werden gelezen
2006 14, 19| ganse gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift der
2007 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten wensen
2008 14, 20| Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters,
2009 14, 20| hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere
2010 14, 20| ouderlingen, en de priesters, en het andere volk der Joden,
2011 14, 21| verhaald van uw heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd
2012 14, 21| uw heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd geweest
2013 14, 22| 22 En wij hebben geschreven hetgeen
2014 14, 22| Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon,
2015 14, 23| 23 En het heeft ons volk behaagd,
2016 14, 23| mannen eerlijk zou ontvangen, en het afschrift van hun rede
2017 14, 23| daarvan gedachtenis hebbe. En het afschrift hiervan schreven
2018 14, 25| dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?~
2019 14, 26| 26 Want hij, en zijn broeders, en zijn vaders
2020 14, 26| Want hij, en zijn broeders, en zijn vaders huis, hebben
2021 14, 26| hebben Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël
2022 14, 26| Israël ten onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben
2023 14, 26| gebracht, en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid
2024 14, 26| aan hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in koperen
2025 14, 26| schreven dit in koperen platen, en stelden het op aan kolommen
2026 14, 27| 27 En dit is het afschrift van
2027 14, 28| vergadering der priesters en van het volk, en van de
2028 14, 28| priesters en van het volk, en van de oversten van het
2029 14, 28| de oversten van het volk, en der ouderlingen van het
2030 14, 29| van de kinderen van Jarib, en zijn broeders, zichzelf
2031 14, 29| hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk
2032 14, 29| gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden
2033 14, 29| staande gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer
2034 14, 30| Jonathan hun volk vergaderd had en hun hogepriester geworden
2035 14, 30| hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;~
2036 14, 31| hun land te verwoesten, en hun handen uit te strekken
2037 14, 32| is dan Simon opgestaan, en oorloogde voor zijn volk,
2038 14, 32| oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten
2039 14, 32| onkosten van zijn eigen geld, en bestelde wapenen voor de
2040 14, 32| krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~
2041 14, 33| 33 En versterkte de steden van
2042 14, 33| versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van
2043 14, 33| vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse
2044 14, 34| 34 En hij versterkte ook Joppe,
2045 14, 34| Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van
2046 14, 34| tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om
2047 14, 34| daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot
2048 14, 35| de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij
2049 14, 35| zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun
2050 14, 35| stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat
2051 14, 35| gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk
2052 14, 35| hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op
2053 14, 36| geweest onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun
2054 14, 36| hun land weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren
2055 14, 36| het heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten
2056 14, 37| 37 En in deze burcht stelde Simon
2057 14, 37| Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering
2058 14, 37| verzekering van het land en van de stad, en hij trok
2059 14, 37| het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem
2060 14, 38| 38 En de koning Demetrius bevestigde
2061 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn
2062 14, 39| hem een van zijn vrienden, en hij verheerlijkte hem met
2063 14, 40| genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij
2064 14, 40| vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van
2065 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters
2066 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd had,
2067 14, 41| had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in
2068 14, 42| hun veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen
2069 14, 42| hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden
2070 14, 42| worden die over het land en over de wapenen en over
2071 14, 42| land en over de wapenen en over de sterkten opzicht
2072 14, 43| hetgeen het heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd
2073 14, 43| allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in
2074 14, 43| zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed
2075 14, 43| kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.~
2076 14, 44| 44 En niemand van het volk en
2077 14, 44| En niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd
2078 14, 44| worden met een purperen kleed en met een gouden gesp.~
2079 14, 46| 46 En het werd goedgevonden door
2080 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij
2081 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester
2082 14, 47| hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste
2083 14, 47| zou zijn, en veldoverste, en overste van het volk der
2084 14, 47| van het volk der Joden, en der priesters, en over allen
2085 14, 47| Joden, en der priesters, en over allen te gebieden.~
2086 14, 48| 48 En zij geboden dat dit schrift
2087 14, 48| gesteld in koperen platen, en dat men die zou zetten in
2088 14, 49| 49 En dat het afschrift gelegd
2089 14, 49| de schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen
2090 15, 1 | 1 En Antiochus, de zoon van de
2091 15, 1 | zee aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan
2092 15, 1 | priester en overste der Joden, en aan al het volk;~
2093 15, 2 | 2 En deze waren van de volgende
2094 15, 2 | Simon, de grote priester en overste, en het volk der
2095 15, 2 | grote priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.~
2096 15, 3 | gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte
2097 15, 3 | krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen
2098 15, 4 | 4 En ik wil in het land komen,
2099 15, 4 | die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk
2100 15, 5 | die voor mij geweest zijn, en al de andere geschenken,
2101 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een
2102 15, 7 | 7 Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij
2103 15, 7 | heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen, die gij bereid
2104 15, 7 | wapenen, die gij bereid hebt, en de sterkten, die gij gebouwd
2105 15, 7 | sterkten, die gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen
2106 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig
2107 15, 8 | de koning schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren,
2108 15, 8 | zij u kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.~
2109 15, 8 | kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.~
2110 15, 9 | 9 En als wij ons koninkrijk zullen
2111 15, 9 | hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken
2112 15, 9 | zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken
2113 15, 10| het land zijner vaderen, en al de krijgsmachten kwamen
2114 15, 11| 11 En de koning Antiochus vervolgde
2115 15, 11| Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora,
2116 15, 12| hem samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden
2117 15, 13| 13 En Antiochus legerde zich tegen
2118 15, 13| legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend
2119 15, 13| honderdentwintigduizend strijdbare mannen, en achtduizend ruiters.~
2120 15, 14| 14 En hij omsingelde de stad,
2121 15, 14| hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee
2122 15, 14| schepen uit de zee te zamen, en benauwde de stad te land
2123 15, 14| benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand
2124 15, 14| stad te land en ter zee, en liet niemand daar uit of
2125 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen
2126 15, 15| brieven aan de koningen en aan de landen, in welke
2127 15, 17| gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen
2128 15, 17| vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap der wapenen,
2129 15, 17| Simon, de hogepriester, en door het volk der Joden;~
2130 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een
2131 15, 19| schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun
2132 15, 19| zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen
2133 15, 19| steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap
2134 15, 20| 20 En wij hebben goedgevonden
2135 15, 22| aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas,
2136 15, 22| Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~
2137 15, 22| aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~
2138 15, 23| 23 En in alle landen, aan Sampsames,
2139 15, 23| Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos,
2140 15, 23| Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en en aan de
2141 15, 23| aan Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan
2142 15, 23| Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië,
2143 15, 23| Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos,
2144 15, 23| de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië,
2145 15, 23| aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië,
2146 15, 23| Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus,
2147 15, 23| Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan
2148 15, 23| Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en
2149 15, 23| Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus,
2150 15, 23| en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis,
2151 15, 23| aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna,
2152 15, 23| Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus,
2153 15, 23| Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus,
2154 15, 23| Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~
2155 15, 23| aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~
2156 15, 24| 24 En het afschrift daarvan schreven
2157 15, 25| 25 En de koning Antiochus belegerde
2158 15, 25| tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van
2159 15, 25| instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat
2160 15, 26| 26 En Simon zond hem tweeduizend
2161 15, 26| hem te helpen strijden, en zilver, en goud, en vele
2162 15, 26| helpen strijden, en zilver, en goud, en vele vaten.~
2163 15, 26| strijden, en zilver, en goud, en vele vaten.~
2164 15, 27| 27 En hij wilde dit niet ontvangen,
2165 15, 27| hem tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd.~
2166 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius,
2167 15, 28| om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd
2168 15, 28| Gijlieden hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te
2169 15, 28| bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem,
2170 15, 29| landpalen daarvan verwoest, en hebt over het land een grote
2171 15, 29| een grote plaag gebracht, en gij hebt vele plaatsen vermeesterd
2172 15, 30| die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen,
2173 15, 31| vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee
2174 15, 31| waarmee gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen,
2175 15, 31| niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.~
2176 15, 32| 32 En Athenobius, de vriend des
2177 15, 32| konings, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van
2178 15, 32| bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele
2179 15, 32| goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij
2180 15, 32| zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde
2181 15, 32| toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden
2182 15, 33| 33 En Simon, antwoordende, zeide
2183 15, 33| een ander niet ingenomen, en hebben eens anders goed
2184 15, 34| 34 En wij hebben gelegenheid gekregen,
2185 15, 34| hebben gelegenheid gekregen, en de erve onzer vaderen weder
2186 15, 35| 35 En wat aangaat Joppe en Gazara,
2187 15, 35| 35 En wat aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die
2188 15, 35| een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans
2189 15, 35| geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem
2190 15, 36| 36 En hij keerde weder tot de
2191 15, 36| de koning met gramschap, en verhaalde hem deze woorden,
2192 15, 36| verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van
2193 15, 36| heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en
2194 15, 36| en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd
2195 15, 37| begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias.~
2196 15, 38| 38 En de koning stelde Cendebeüs
2197 15, 38| overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet
2198 15, 38| hem krijgsvolk, te voet en te paard.~
2199 15, 39| 39 En hij beval hem, dat hij zich
2200 15, 39| zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij
2201 15, 39| hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en
2202 15, 39| en de poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen.
2203 15, 39| het volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.~
2204 15, 40| 40 En Cendebeüs kwam tot Jamnia,
2205 15, 40| Cendebeüs kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen,
2206 15, 40| begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en
2207 15, 40| en in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen,
2208 15, 40| volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde
2209 15, 40| gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron,~
2210 15, 41| 41 En schikte daarin ruiters en
2211 15, 41| En schikte daarin ruiters en krijgsknechten, opdat zij
2212 16, 1 | 1 En Johannes kwam van Gazara,
2213 16, 1 | Johannes kwam van Gazara, en verhaalde zijn vader Simon,
2214 16, 2 | 2 En Simon riep zijn twee oudste
2215 16, 2 | twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen:
2216 16, 2 | zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn
2217 16, 2 | Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis
2218 16, 2 | hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben
2219 16, 2 | tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat
2220 16, 3 | ik ben nu oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren
2221 16, 3 | barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats, en
2222 16, 3 | en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt voor
2223 16, 3 | broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk. En
2224 16, 3 | en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij
2225 16, 4 | 4 En hij verkoos uit het land
2226 16, 4 | twintigduizend strijdbare mannen, en enige ruiters, en zij trokken
2227 16, 4 | mannen, en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs,
2228 16, 4 | trokken tegen Cendebeüs, en sliepen te Modin.~
2229 16, 5 | 5 En des morgens vroeg opstaande,
2230 16, 5 | zij naar het vlakke veld; en ziet, een grote macht te
2231 16, 5 | een grote macht te voet en te paard ontmoette hen,
2232 16, 5 | te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was een
2233 16, 6 | 6 Hij en zijn volk legerde zich recht
2234 16, 6 | zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk
2235 16, 6 | trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken
2236 16, 7 | 7 En hij deelde het volk, en
2237 16, 7 | En hij deelde het volk, en stelde de ruiters in het
2238 16, 8 | 8 En hij liet de trompetten blazen,
2239 16, 8 | liet de trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger
2240 16, 8 | werd op de vlucht geslagen, en daar vielen van hen vele
2241 16, 8 | vielen van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten
2242 16, 10| 10 En zij vluchtten tot in de
2243 16, 10| het land van Azote waren; en hij stak de stad met vuur
2244 16, 10| stad met vuur in brand, en van dezen vielen tot tweeduizend
2245 16, 10| vielen tot tweeduizend man, en hij keerde weder naar het
2246 16, 11| 11 En Ptolomeüs, de zoon van Abubus,
2247 16, 11| vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,~
2248 16, 11| en hij had veel zilver en goud,~
2249 16, 13| 13 En zijn hart werd verhovaardigd,
2250 16, 13| hart werd verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen,
2251 16, 13| wilde het land bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken
2252 16, 13| bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te
2253 16, 14| 14 En Simon was trekkende door
2254 16, 14| wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij
2255 16, 14| hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en
2256 16, 14| en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste
2257 16, 15| 15 En de zoon van Abubus ontving
2258 16, 15| welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd,
2259 16, 15| hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.~
2260 16, 16| 16 En als Simon en zijn zonen
2261 16, 16| 16 En als Simon en zijn zonen wel gedronken
2262 16, 16| hadden, stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun
2263 16, 16| op, en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen
2264 16, 16| zij Simon in de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee
2265 16, 16| maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en enigen
2266 16, 16| hem, en zijn twee zonen, en enigen van zijn knechten.~
2267 16, 17| 17 En beging zo grote ontrouw
2268 16, 17| beging zo grote ontrouw en vergold kwaad voor goed.~
2269 16, 18| Ptolomeüs schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat
2270 16, 18| krijgsvolk te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en
2271 16, 18| en dat hij hem het land en de steden zou overleveren.~
2272 16, 19| 19 En hij zond anderen naar Gazara,
2273 16, 19| Johannes om te brengen; en hij zond brieven aan de
2274 16, 19| komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken zou geven.~
2275 16, 19| opdat hij hun zilver en goud en geschenken zou geven.~
2276 16, 20| 20 En hij zond anderen om Jeruzalem
2277 16, 20| om Jeruzalem in te nemen, en de berg van de tempel.~
2278 16, 21| 21 En een, vooruitlopende, boodschapte
2279 16, 21| zijn vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij
2280 16, 21| omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om
2281 16, 22| 22 En hij, dit horende, werd zeer
2282 16, 22| horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die
2283 16, 22| waren om hem om te brengen, en doodde hen, want hij verstond
2284 16, 23| Johannes verder gedaan heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke
2285 16, 23| heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke daden, die
2286 16, 23| mannelijk uitgericht heeft, en het opbouwen van de muren,
2287 16, 23| die hij opgebouwd heeft, en zijn andere daden,~
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287 |