Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elul 1
emmanaüs 1
emmaüs 2
en 2287
ene 4
engel 1
enig 5
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
2287 en
1161 de
567 van
518 het

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287

     Chapter, Verse
2001 14, 17| hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd 2002 14, 17| het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;~ 2003 14, 18| platen, om de vriendschap en gemeenschap van wapenen 2004 14, 18| gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.~ 2005 14, 19| 19 En deze brieven werden gelezen 2006 14, 19| ganse gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift der 2007 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten wensen 2008 14, 20| Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, 2009 14, 20| hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere 2010 14, 20| ouderlingen, en de priesters, en het andere volk der Joden, 2011 14, 21| verhaald van uw heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd 2012 14, 21| uw heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd geweest 2013 14, 22| 22 En wij hebben geschreven hetgeen 2014 14, 22| Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, 2015 14, 23| 23 En het heeft ons volk behaagd, 2016 14, 23| mannen eerlijk zou ontvangen, en het afschrift van hun rede 2017 14, 23| daarvan gedachtenis hebbe. En het afschrift hiervan schreven 2018 14, 25| dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?~ 2019 14, 26| 26 Want hij, en zijn broeders, en zijn vaders 2020 14, 26| Want hij, en zijn broeders, en zijn vaders huis, hebben 2021 14, 26| hebben Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël 2022 14, 26| Israël ten onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben 2023 14, 26| gebracht, en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid 2024 14, 26| aan hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in koperen 2025 14, 26| schreven dit in koperen platen, en stelden het op aan kolommen 2026 14, 27| 27 En dit is het afschrift van 2027 14, 28| vergadering der priesters en van het volk, en van de 2028 14, 28| priesters en van het volk, en van de oversten van het 2029 14, 28| de oversten van het volk, en der ouderlingen van het 2030 14, 29| van de kinderen van Jarib, en zijn broeders, zichzelf 2031 14, 29| hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk 2032 14, 29| gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden 2033 14, 29| staande gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer 2034 14, 30| Jonathan hun volk vergaderd had en hun hogepriester geworden 2035 14, 30| hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;~ 2036 14, 31| hun land te verwoesten, en hun handen uit te strekken 2037 14, 32| is dan Simon opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, 2038 14, 32| oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten 2039 14, 32| onkosten van zijn eigen geld, en bestelde wapenen voor de 2040 14, 32| krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~ 2041 14, 33| 33 En versterkte de steden van 2042 14, 33| versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van 2043 14, 33| vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse 2044 14, 34| 34 En hij versterkte ook Joppe, 2045 14, 34| Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van 2046 14, 34| tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om 2047 14, 34| daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot 2048 14, 35| de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij 2049 14, 35| zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun 2050 14, 35| stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat 2051 14, 35| gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk 2052 14, 35| hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op 2053 14, 36| geweest onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun 2054 14, 36| hun land weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren 2055 14, 36| het heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten 2056 14, 37| 37 En in deze burcht stelde Simon 2057 14, 37| Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering 2058 14, 37| verzekering van het land en van de stad, en hij trok 2059 14, 37| het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem 2060 14, 38| 38 En de koning Demetrius bevestigde 2061 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn 2062 14, 39| hem een van zijn vrienden, en hij verheerlijkte hem met 2063 14, 40| genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij 2064 14, 40| vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van 2065 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters 2066 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd had, 2067 14, 41| had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in 2068 14, 42| hun veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen 2069 14, 42| hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden 2070 14, 42| worden die over het land en over de wapenen en over 2071 14, 42| land en over de wapenen en over de sterkten opzicht 2072 14, 43| hetgeen het heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd 2073 14, 43| allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in 2074 14, 43| zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed 2075 14, 43| kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.~ 2076 14, 44| 44 En niemand van het volk en 2077 14, 44| En niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd 2078 14, 44| worden met een purperen kleed en met een gouden gesp.~ 2079 14, 46| 46 En het werd goedgevonden door 2080 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij 2081 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester 2082 14, 47| hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste 2083 14, 47| zou zijn, en veldoverste, en overste van het volk der 2084 14, 47| van het volk der Joden, en der priesters, en over allen 2085 14, 47| Joden, en der priesters, en over allen te gebieden.~ 2086 14, 48| 48 En zij geboden dat dit schrift 2087 14, 48| gesteld in koperen platen, en dat men die zou zetten in 2088 14, 49| 49 En dat het afschrift gelegd 2089 14, 49| de schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen 2090 15, 1 | 1 En Antiochus, de zoon van de 2091 15, 1 | zee aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan 2092 15, 1 | priester en overste der Joden, en aan al het volk;~ 2093 15, 2 | 2 En deze waren van de volgende 2094 15, 2 | Simon, de grote priester en overste, en het volk der 2095 15, 2 | grote priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.~ 2096 15, 3 | gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte 2097 15, 3 | krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen 2098 15, 4 | 4 En ik wil in het land komen, 2099 15, 4 | die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk 2100 15, 5 | die voor mij geweest zijn, en al de andere geschenken, 2101 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een 2102 15, 7 | 7 Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij 2103 15, 7 | heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen, die gij bereid 2104 15, 7 | wapenen, die gij bereid hebt, en de sterkten, die gij gebouwd 2105 15, 7 | sterkten, die gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen 2106 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig 2107 15, 8 | de koning schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren, 2108 15, 8 | zij u kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.~ 2109 15, 8 | kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.~ 2110 15, 9 | 9 En als wij ons koninkrijk zullen 2111 15, 9 | hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken 2112 15, 9 | zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken 2113 15, 10| het land zijner vaderen, en al de krijgsmachten kwamen 2114 15, 11| 11 En de koning Antiochus vervolgde 2115 15, 11| Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, 2116 15, 12| hem samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden 2117 15, 13| 13 En Antiochus legerde zich tegen 2118 15, 13| legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend 2119 15, 13| honderdentwintigduizend strijdbare mannen, en achtduizend ruiters.~ 2120 15, 14| 14 En hij omsingelde de stad, 2121 15, 14| hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee 2122 15, 14| schepen uit de zee te zamen, en benauwde de stad te land 2123 15, 14| benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand 2124 15, 14| stad te land en ter zee, en liet niemand daar uit of 2125 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen 2126 15, 15| brieven aan de koningen en aan de landen, in welke 2127 15, 17| gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen 2128 15, 17| vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap der wapenen, 2129 15, 17| Simon, de hogepriester, en door het volk der Joden;~ 2130 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een 2131 15, 19| schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun 2132 15, 19| zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen 2133 15, 19| steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap 2134 15, 20| 20 En wij hebben goedgevonden 2135 15, 22| aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, 2136 15, 22| Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~ 2137 15, 22| aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~ 2138 15, 23| 23 En in alle landen, aan Sampsames, 2139 15, 23| Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, 2140 15, 23| Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en en aan de 2141 15, 23| aan Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan 2142 15, 23| Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië, 2143 15, 23| Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, 2144 15, 23| de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, 2145 15, 23| aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, 2146 15, 23| Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, 2147 15, 23| Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan 2148 15, 23| Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en 2149 15, 23| Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, 2150 15, 23| en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, 2151 15, 23| aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, 2152 15, 23| Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, 2153 15, 23| Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, 2154 15, 23| Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~ 2155 15, 23| aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~ 2156 15, 24| 24 En het afschrift daarvan schreven 2157 15, 25| 25 En de koning Antiochus belegerde 2158 15, 25| tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van 2159 15, 25| instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat 2160 15, 26| 26 En Simon zond hem tweeduizend 2161 15, 26| hem te helpen strijden, en zilver, en goud, en vele 2162 15, 26| helpen strijden, en zilver, en goud, en vele vaten.~ 2163 15, 26| strijden, en zilver, en goud, en vele vaten.~ 2164 15, 27| 27 En hij wilde dit niet ontvangen, 2165 15, 27| hem tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd.~ 2166 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius, 2167 15, 28| om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd 2168 15, 28| Gijlieden hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te 2169 15, 28| bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, 2170 15, 29| landpalen daarvan verwoest, en hebt over het land een grote 2171 15, 29| een grote plaag gebracht, en gij hebt vele plaatsen vermeesterd 2172 15, 30| die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, 2173 15, 31| vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee 2174 15, 31| waarmee gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen, 2175 15, 31| niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.~ 2176 15, 32| 32 En Athenobius, de vriend des 2177 15, 32| konings, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van 2178 15, 32| bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele 2179 15, 32| goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij 2180 15, 32| zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde 2181 15, 32| toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden 2182 15, 33| 33 En Simon, antwoordende, zeide 2183 15, 33| een ander niet ingenomen, en hebben eens anders goed 2184 15, 34| 34 En wij hebben gelegenheid gekregen, 2185 15, 34| hebben gelegenheid gekregen, en de erve onzer vaderen weder 2186 15, 35| 35 En wat aangaat Joppe en Gazara, 2187 15, 35| 35 En wat aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die 2188 15, 35| een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans 2189 15, 35| geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem 2190 15, 36| 36 En hij keerde weder tot de 2191 15, 36| de koning met gramschap, en verhaalde hem deze woorden, 2192 15, 36| verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van 2193 15, 36| heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en 2194 15, 36| en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd 2195 15, 37| begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias.~ 2196 15, 38| 38 En de koning stelde Cendebeüs 2197 15, 38| overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet 2198 15, 38| hem krijgsvolk, te voet en te paard.~ 2199 15, 39| 39 En hij beval hem, dat hij zich 2200 15, 39| zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij 2201 15, 39| hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en 2202 15, 39| en de poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen. 2203 15, 39| het volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.~ 2204 15, 40| 40 En Cendebeüs kwam tot Jamnia, 2205 15, 40| Cendebeüs kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen, 2206 15, 40| begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en 2207 15, 40| en in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen, 2208 15, 40| volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde 2209 15, 40| gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron,~ 2210 15, 41| 41 En schikte daarin ruiters en 2211 15, 41| En schikte daarin ruiters en krijgsknechten, opdat zij 2212 16, 1 | 1 En Johannes kwam van Gazara, 2213 16, 1 | Johannes kwam van Gazara, en verhaalde zijn vader Simon, 2214 16, 2 | 2 En Simon riep zijn twee oudste 2215 16, 2 | twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: 2216 16, 2 | zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn 2217 16, 2 | Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis 2218 16, 2 | hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben 2219 16, 2 | tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat 2220 16, 3 | ik ben nu oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren 2221 16, 3 | barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats, en 2222 16, 3 | en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt voor 2223 16, 3 | broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk. En 2224 16, 3 | en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij 2225 16, 4 | 4 En hij verkoos uit het land 2226 16, 4 | twintigduizend strijdbare mannen, en enige ruiters, en zij trokken 2227 16, 4 | mannen, en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, 2228 16, 4 | trokken tegen Cendebeüs, en sliepen te Modin.~ 2229 16, 5 | 5 En des morgens vroeg opstaande, 2230 16, 5 | zij naar het vlakke veld; en ziet, een grote macht te 2231 16, 5 | een grote macht te voet en te paard ontmoette hen, 2232 16, 5 | te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was een 2233 16, 6 | 6 Hij en zijn volk legerde zich recht 2234 16, 6 | zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk 2235 16, 6 | trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken 2236 16, 7 | 7 En hij deelde het volk, en 2237 16, 7 | En hij deelde het volk, en stelde de ruiters in het 2238 16, 8 | 8 En hij liet de trompetten blazen, 2239 16, 8 | liet de trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger 2240 16, 8 | werd op de vlucht geslagen, en daar vielen van hen vele 2241 16, 8 | vielen van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten 2242 16, 10| 10 En zij vluchtten tot in de 2243 16, 10| het land van Azote waren; en hij stak de stad met vuur 2244 16, 10| stad met vuur in brand, en van dezen vielen tot tweeduizend 2245 16, 10| vielen tot tweeduizend man, en hij keerde weder naar het 2246 16, 11| 11 En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, 2247 16, 11| vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,~ 2248 16, 11| en hij had veel zilver en goud,~ 2249 16, 13| 13 En zijn hart werd verhovaardigd, 2250 16, 13| hart werd verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen, 2251 16, 13| wilde het land bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken 2252 16, 13| bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te 2253 16, 14| 14 En Simon was trekkende door 2254 16, 14| wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij 2255 16, 14| hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en 2256 16, 14| en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste 2257 16, 15| 15 En de zoon van Abubus ontving 2258 16, 15| welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, 2259 16, 15| hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.~ 2260 16, 16| 16 En als Simon en zijn zonen 2261 16, 16| 16 En als Simon en zijn zonen wel gedronken 2262 16, 16| hadden, stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun 2263 16, 16| op, en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen 2264 16, 16| zij Simon in de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee 2265 16, 16| maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en enigen 2266 16, 16| hem, en zijn twee zonen, en enigen van zijn knechten.~ 2267 16, 17| 17 En beging zo grote ontrouw 2268 16, 17| beging zo grote ontrouw en vergold kwaad voor goed.~ 2269 16, 18| Ptolomeüs schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat 2270 16, 18| krijgsvolk te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en 2271 16, 18| en dat hij hem het land en de steden zou overleveren.~ 2272 16, 19| 19 En hij zond anderen naar Gazara, 2273 16, 19| Johannes om te brengen; en hij zond brieven aan de 2274 16, 19| komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken zou geven.~ 2275 16, 19| opdat hij hun zilver en goud en geschenken zou geven.~ 2276 16, 20| 20 En hij zond anderen om Jeruzalem 2277 16, 20| om Jeruzalem in te nemen, en de berg van de tempel.~ 2278 16, 21| 21 En een, vooruitlopende, boodschapte 2279 16, 21| zijn vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij 2280 16, 21| omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om 2281 16, 22| 22 En hij, dit horende, werd zeer 2282 16, 22| horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die 2283 16, 22| waren om hem om te brengen, en doodde hen, want hij verstond 2284 16, 23| Johannes verder gedaan heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke 2285 16, 23| heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke daden, die 2286 16, 23| mannelijk uitgericht heeft, en het opbouwen van de muren, 2287 16, 23| die hij opgebouwd heeft, en zijn andere daden,~


1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2287

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License