Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dathema 1
david 3
davids 3
de 1161
deden 11
deed 9
deel 4
Frequency    [«  »]
-----
-----
2287 en
1161 de
567 van
518 het
470 hij

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1161

     Chapter, Verse
1 1, 1 | geschiedde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, 2 1, 1 | Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, die uit het 3 1, 1 | Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden 4 1, 7 | Riep hij zijn dienaars, de edelsten, die van der jeugd 5 1, 10| En zij vermenigvuldigden de ellenden in het land.~ 6 1, 11| namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, 7 1, 11| Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen 8 1, 12| een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons 9 1, 14| volvaardig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht 10 1, 15| Jeruzalem een school naar de wetten der heidenen.~ 11 1, 16| verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht 12 1, 19| 19 En hij stelde de krijg aan tegen Ptolomeüs, 13 1, 19| krijg aan tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs 14 1, 20| gewonden, en zij namen in de sterke steden in het land 15 1, 20| van Egypte, en hij kreeg de roof van Egypte.~ 16 1, 23| nam het gouden altaar, en de kandelaar des lichts, en 17 1, 23| en alle gereedschap, en de tafel der toonbroden, en 18 1, 23| tafel der toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen, 19 1, 23| en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen, 20 1, 23| sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen, en 21 1, 23| en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, 22 1, 23| het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij 23 1, 24| het zilver en het goud, en de kostelijke vaten; en hij 24 1, 24| kostelijke vaten; en hij nam ook de verborgen schatten, die 25 1, 27| 27 Want de oversten en ouderlingen 26 1, 27| en ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongelingen 27 1, 27| zuchtten; de maagden en de jongelingen werden verzwakt, 28 1, 27| jongelingen werden verzwakt, en de schoonheid der vrouwen werd 29 1, 30| Na twee volle jaren zond de koning de oversten over 30 1, 30| volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen 31 1, 30| koning de oversten over de schattingen in de steden 32 1, 30| oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij 33 1, 32| En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een 34 1, 33| 33 En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met 35 1, 34| 34 En zij namen de vrouwen en kinderen gevangen, 36 1, 35| 35 En zij bouwden de stad Davids op met een grote 37 1, 36| zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden 38 1, 37| daarin wapenen en spijze; en de plundering van Jeruzalem 39 1, 40| 40 En de inwoners van Jeruzalem vloden 40 1, 41| 41 En de stad werd een woonplaats 41 1, 44| 44 En de koning schreef aan zijn 42 1, 46| godsdienst, en offerden de afgoden, en ontheiligden 43 1, 46| afgoden, en ontheiligden de sabbat.~ 44 1, 47| 47 En de koning zond brieven door 45 1, 47| koning zond brieven door de hand van zijn boden aan 46 1, 47| boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij 47 1, 47| zij wandelen zouden naar de vreemde wetten des lands;~ 48 1, 48| 48 Dat zij de brandoffers, de offerande 49 1, 48| Dat zij de brandoffers, de offerande en het drankoffer 50 1, 49| 49 Dat zij de sabbatten en de feestdagen 51 1, 49| Dat zij de sabbatten en de feestdagen zouden ontheiligen;~ 52 1, 50| Dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen ontreinigen 53 1, 52| onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en 54 1, 52| wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen.~ 55 1, 55| 55 En hij beval de steden van Juda, dat zij 56 1, 56| vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden 57 1, 58| 58 En de vijftiende dag van de maand 58 1, 58| En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste 59 1, 59| 59 En in de deuren van de huizen, en 60 1, 59| 59 En in de deuren van de huizen, en op de straten 61 1, 59| deuren van de huizen, en op de straten offerden zij reukwerk;~ 62 1, 60| 60 En verbrandden de boeken der wet, die zij 63 1, 61| des verbonds, en zo iemand de wet toestond, die doodden 64 1, 62| van maand tot maand in al de steden.~ 65 1, 63| 63 En zij offerden de vijfentwintigste dag van 66 1, 63| vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat 67 1, 64| 64 En de vrouwen, die haar kinderen 68 1, 65| 65 En zij hingen de kleine kinderen op aan de 69 1, 65| de kleine kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden 70 1, 67| niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig 71 1, 68| 68 En de toom des konings was zeer 72 2, 1 | dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon 73 2, 1 | Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, 74 2, 1 | Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, 75 2, 6 | 6 En hij zag de godslasteringen, die in 76 2, 7 | daartoe geboren, om te zien de overlast van mijn volk, 77 2, 7 | overlast van mijn volk, en de overlast der heilige stad, 78 2, 7 | daar ze overgegeven is in de hand der vijanden?~ 79 2, 8 | 8 Het heiligdom is in de hand der vreemdelingen. 80 2, 8 | hand der vreemdelingen. De tempel is geworden als een 81 2, 9 | 9 De heerlijke vaten zijn genomen 82 2, 9 | zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen zijn gedood 83 2, 12| heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd.~ 84 2, 15| van des konings wege, in de stad Modin, die de lieden 85 2, 15| wege, in de stad Modin, die de lieden dwongen af te vallen, 86 2, 15| vallen, dat zij moesten de afgoden offeren.~ 87 2, 18| bevel des konings, gelijk al de volken gedaan hebben, en 88 2, 18| volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die 89 2, 19| ieder van hen afviel van de godsdienst zijner vaderen, 90 2, 21| 21 De Here wil ons genadig zijn, 91 2, 21| zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten.~ 92 2, 21| niet verlaten de wet en de rechten.~ 93 2, 23| een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren 94 2, 25| 25 En de man des konings, die de 95 2, 25| de man des konings, die de lieden dwong te offeren, 96 2, 26| 26 En hij ijverde voor de wet, gelijk eertijds Pinehas 97 2, 26| Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom.~ 98 2, 27| En Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, 99 2, 27| Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, 100 2, 28| en zijn zonen vloden naar de bergen, en lieten al wat 101 2, 28| lieten al wat zij hadden in de stad.~ 102 2, 29| 29 Toen gingen velen, die de gerechtigheid en het recht 103 2, 29| recht zochten, heen naar de woestijn;~ 104 2, 31| 31 En de mannen des konings, en de 105 2, 31| de mannen des konings, en de krijgsmachten, die te Jeruzalem 106 2, 31| krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd 107 2, 31| konings hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren 108 2, 31| verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, en 109 2, 32| en zij vingen tegen hen de krijg aan op de dag des 110 2, 32| tegen hen de krijg aan op de dag des sabbats, en zeiden 111 2, 34| doen, om te ontheiligen de dag des sabbats.~ 112 2, 35| 35 En zij haastten met de strijd tegen hen.~ 113 2, 36| steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:~ 114 2, 37| sterven in onze eenvoudigheid. De hemel en aarde getuigen 115 2, 38| tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, 116 2, 40| niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven 117 2, 40| zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.~ 118 2, 41| tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat ons 119 2, 41| gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.~ 120 2, 42| Toen vergaderde bij hen de vergadering der Asideeën, 121 2, 42| Israël een ieder die gewillig de wet hield.~ 122 2, 44| macht te zamen, en sloegen de zondaren in hun toorn, en 123 2, 44| zondaren in hun toorn, en de boze mannen in hun grimmigheid; 124 2, 44| mannen in hun grimmigheid; en de overgeblevenen vloden naar 125 2, 44| overgeblevenen vloden naar de heidenen om behouden te 126 2, 46| zij besneden met kracht al de kinderkens die onbesneden 127 2, 46| zo velen zij vonden in de landpalen van Israël;~ 128 2, 47| 47 En vervolgden de kinderen van de hoogmoed, 129 2, 47| vervolgden de kinderen van de hoogmoed, en dit werk werd 130 2, 48| 48 Zij bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, 131 2, 48| Zij bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, en uit 132 2, 48| hand der heidenen, en uit de hand der koningen, en gaven 133 2, 48| hand der koningen, en gaven de hoorn der overwinning niet 134 2, 49| 49 En als de dagen naderden dat Mattathias 135 2, 49| hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en de 136 2, 49| de hoogmoed gevestigd, en de kastijding, en nu is de 137 2, 49| de kastijding, en nu is de tijd der verwoesting, en 138 2, 49| tijd der verwoesting, en de grimmige toorn.~ 139 2, 50| mijn kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor 140 2, 52| 52 Is Abraham in de verzoeking niet getrouw 141 2, 53| 53 Jozef heeft in de tijd zijner benauwdheid 142 2, 56| getuigenis heeft gegeven in de gemeente, heeft het erfdeel 143 2, 57| zijn barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk 144 2, 58| als hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is opgenomen 145 2, 58| geijverd, is opgenomen in de hemel.~ 146 2, 59| geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden.~ 147 2, 60| eenvoudigheid gerukt uit de mond der leeuwen.~ 148 2, 62| 62 En vreest niet voor de woorden des zondigen mans, 149 2, 64| en houdt u als mannen in de wet, want gij zult in deze 150 2, 66| wezen, en gijlieden zult de krijg der volken voeren.~ 151 2, 67| tot u brengen allen die de wet doen, en zult de wraak 152 2, 67| die de wet doen, en zult de wraak uws volks uitvoeren.~ 153 2, 68| 68 Vergeldt de heidenen de vergelding, 154 2, 68| 68 Vergeldt de heidenen de vergelding, en houdt u aan 155 2, 68| vergelding, en houdt u aan de geboden der wet.~ 156 2, 70| zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen in 157 3, 2 | aangehangen hadden, en voerden de krijg van Israël met vreugde.~ 158 3, 3 | 3 En hij heeft de eer zijns volks verbreid; 159 3, 5 | 5 En hij, de goddelozen naarstig zoekende, 160 3, 6 | 6 Zodat de goddelozen uit vrees voor 161 3, 6 | en dat het welging met de behoudenis door zijn hand.~ 162 3, 8 | 8 Hij doortrok de steden van Juda, en verdelgde 163 3, 8 | Juda, en verdelgde uit haar de goddelozen en keerde de 164 3, 8 | de goddelozen en keerde de toorn Gods van Israël af.~ 165 3, 10| 10 Waarom Apollonius de volken vergaderde, en van 166 3, 11| gewonden zijn gevallen, en de overigen zijn gevloden.~ 167 3, 13| 13 En Seron, de overste der krijgsmachten 168 3, 15| hij wraak zou nemen over de kinderen Israëls.~ 169 3, 16| 16 En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron, en 170 3, 18| velen besloten worden in de handen van weinigen, en 171 3, 18| is geen onderscheid voor de hemel, te behouden door 172 3, 19| 19 Want de overwinning in de krijg 173 3, 19| 19 Want de overwinning in de krijg bestaat niet in de 174 3, 19| de krijg bestaat niet in de menigte der macht, maar 175 3, 19| menigte der macht, maar de kracht uit de hemel geeft 176 3, 19| macht, maar de kracht uit de hemel geeft ze.~ 177 3, 24| En zij vervolgden hen in de nedergang van Bethoron tot 178 3, 24| omtrent achthonderd mannen, en de overigen zijn gevloden naar 179 3, 25| 25 En de vrees voor Judas en zijn 180 3, 25| verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen waren.~ 181 3, 26| 26 Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken 182 3, 26| alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas.~ 183 3, 27| 27 En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, 184 3, 27| zond heen en vergaderde al de krijgsmachten van zijn koninkrijk, 185 3, 29| degenen die in het land de schattingen vergaderden, 186 3, 29| weinigen waren; overmits de tweespalt, en de plaag die 187 3, 29| overmits de tweespalt, en de plaag die hij in het land 188 3, 29| aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste 189 3, 29| waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest 190 3, 30| om nog eens of tweemaal de onkosten te doen, en om 191 3, 30| onkosten te doen, en om de geschenken te geven, die 192 3, 30| hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid 193 3, 31| te reizen naar Perzië, en de schattingen van die landen 194 3, 32| koninklijk geslacht, over de zaken des konings, van de 195 3, 32| de zaken des konings, van de rivier Eufraat af tot de 196 3, 32| de rivier Eufraat af tot de landpalen van Egypte toe;~ 197 3, 34| 34 En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, 198 3, 34| van zijn krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem 199 3, 34| wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem;~ 200 3, 35| zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen, 201 3, 37| 37 En de koning nam bij zich de helft 202 3, 37| En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten 203 3, 37| honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, 204 3, 37| gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.~ 205 3, 38| Lysias nu verkoor Ptolomeüs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor, 206 3, 38| Gorgias, machtige mannen onder de vrienden des konings;~ 207 3, 39| verderven, naar het woord van de koning.~ 208 3, 41| 41 En de kooplieden van die landstreek 209 3, 41| in hun leger gekomen, om de kinderen Israëls tot dienstknechten 210 3, 41| dienstknechten te verkrijgen, en de macht van Syrië en van het 211 3, 42| zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, 212 3, 42| vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden 213 3, 42| landpalen, en verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee 214 3, 44| 44 En de vergadering kwam bijeen, 215 3, 44| bijeen, om gereed te zijn tot de strijd, en om te bidden, 216 3, 45| heiligdom vertreden werd, en de kinderen der vreemdelingen 217 3, 45| kinderen der vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen 218 3, 45| vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats 219 3, 45| weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,~ 220 3, 46| tegenover Jeruzalem, omdat de plaats des gebeds tevoren 221 3, 48| 48 En breidden de boeken der wet uit, waarnaar 222 3, 48| boeken der wet uit, waarnaar de heidenen naarstig zochten, 223 3, 48| naarstig zochten, om daarin de beeltenis hunner afgoden 224 3, 49| 49 En zij brachten daar de klederen des priesterdoms, 225 3, 49| klederen des priesterdoms, en de eerstelingen, en de tienden, 226 3, 49| en de eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten 227 3, 49| tienden, en zij verwekten de Nazireeën, die hun dagen 228 3, 50| riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat zullen 229 3, 52| 52 En zie, de heidenen zijn tegen ons 230 3, 54| 54 En zij bliezen de trompetten en riepen met 231 3, 56| naar zijn huis, volgens de wet.~ 232 3, 58| mannen, en weest gereed tegen de morgenstond om te vechten 233 3, 59| het is beter dat wij in de strijd sterven, dan dat 234 3, 59| dan dat wij zouden aanzien de ellenden van ons volk en 235 3, 60| 60 Doch gelijk de wil van God in de hemel 236 3, 60| gelijk de wil van God in de hemel zal zijn, zo doe hij 237 4, 2 | onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht waren 238 4, 2 | slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.~ 239 4, 3 | zijn machtigen, om te slaan de krijgsmacht des konings, 240 4, 5 | niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide hij, 241 4, 7 | sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, ( 242 4, 7 | stond, (en deze waren in de krijg wèl ervaren),~ 243 4, 8 | 8 Zo zeide Judas tot de mannen die met hem waren: 244 4, 9 | vaderen zijn behouden in de Rode zee toen Faraö met 245 4, 10| nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig 246 4, 11| 11 En al de volken zullen verstaan dat 247 4, 12| 12 En de vreemde volken hieven hun 248 4, 13| bij Judas waren bliezen de trompetten.~ 249 4, 14| kwamen aan elkander, en de heidenen werden geslagen, 250 4, 15| 15 Maar al de laatsten vielen voor het 251 4, 15| tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van Idumeä 252 4, 18| en zijn krijgsvolk is op de berg nabij ons, maar staat 253 4, 19| zich een deel uitziende van de berg;~ 254 4, 20| 20 En zag dat de hunnen in de vlucht waren, 255 4, 20| En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de 256 4, 20| de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand 257 4, 20| brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde 258 4, 23| En Judas keerde zich tot de plundering van het leger, 259 4, 24| en dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, 260 4, 26| 26 En zo velen als er uit de vreemdelingen behouden waren, 261 4, 27| werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet 262 4, 27| uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.~ 263 4, 30| behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige door 264 4, 30| gij, die de aanval van de machtige door de hand van 265 4, 30| aanval van de machtige door de hand van uw dienstknecht 266 4, 30| vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de 267 4, 30| de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn 268 4, 31| 31 Besluit dit leger in de hand van uw volk Israël, 269 4, 32| hun versaagdheid, en doe de stoutheid van hun sterkte 270 4, 35| 35 Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, 271 4, 35| vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, 272 4, 35| getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of 273 4, 37| vergaderd, en zij gingen op naar de berg Sion.~ 274 4, 38| het altaar ontheiligd, en de poorten verbrand, en in 275 4, 38| poorten verbrand, en in de voorhoven struiken gewassen, 276 4, 38| kreupelbos of als op een van de bergen, en de kamers der 277 4, 38| op een van de bergen, en de kamers der priesters verwoest;~ 278 4, 40| vielen op hun aangezicht op de aarde, en bliezen met de 279 4, 40| de aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen 280 4, 40| alarm, en riepen tot God in de hemel.~ 281 4, 41| 41 Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden 282 4, 41| bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij 283 4, 42| onberispelijke priesters, die de wet liefhadden.~ 284 4, 43| het heiligdom, en namen de stenen der besmetting weg, 285 4, 45| tot smaadheid worde, daar de heidenen dat besmet hadden, 286 4, 46| 46 En zij brachten de stenen op de berg van het 287 4, 46| zij brachten de stenen op de berg van het huis, in een 288 4, 47| namen gehele stenen naar de wet, en zij bouwden een 289 4, 47| bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante van het eerste.~ 290 4, 48| het huis, en zij heiligden de voorhoven.~ 291 4, 49| vaten, en zij brachten in de tempel de kandelaar, en 292 4, 49| zij brachten in de tempel de kandelaar, en het altaar 293 4, 49| brandoffers, en der reukwerken, en de tafel.~ 294 4, 50| het altaar, en ontstaken de lampen op de kandelaar, 295 4, 50| en ontstaken de lampen op de kandelaar, en zij gaven 296 4, 50| kandelaar, en zij gaven licht in de tempel.~ 297 4, 51| En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels 298 4, 51| broden op de tafel, en hingen de voorhangsels op, en volbrachten 299 4, 52| stonden des morgens vroeg op, de vijfentwintigste van de 300 4, 52| de vijfentwintigste van de negende maand (deze is de 301 4, 52| de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste 302 4, 53| 53 En zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar 303 4, 54| 54 Op de tijd, en op de dag, waarop 304 4, 54| 54 Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen 305 4, 54| tijd, en op de dag, waarop de heidenen dat ontheiligd 306 4, 55| aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed 307 4, 57| versierden het voorste deel van de tempel, met gouden kronen 308 4, 57| schilden, en vernieuwden de poorten, en de kamers der 309 4, 57| vernieuwden de poorten, en de kamers der priesters, en 310 4, 58| vreugde onder het volk, en de smaadheid der heidenen is 311 4, 59| Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering van Israël, 312 4, 59| van Israël, bepaalden dat de dagen der inwijding van 313 4, 59| jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag der 314 4, 60| bouwden in die tijd rondom op de berg Sion hoge muren en 315 4, 60| en sterke torens, opdat de heidenen niet te eniger 316 5, 1 | 1 Het geschiedde, als de heidenen daar rondom hoorden 317 5, 3 | 3 Waarom Judas de kinderen van Ezau in Idumeä 318 5, 4 | 4 En indachtig wordende de boosheid van de kinderen 319 5, 4 | wordende de boosheid van de kinderen van Bajan, die 320 5, 4 | aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden gelegd;~ 321 5, 5 | 5 Besloot hij hen in de torens, en legerde zich 322 5, 5 | hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun torens 323 5, 6 | En vandaar toog hij naar de kinderen van Ammon, en hij 324 5, 9 | 9 En de heidenen die in Galaäd waren, 325 5, 9 | vergaderden te zamen tegen de Israëlieten, die in hun 326 5, 10| 10 Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema, en 327 5, 11| 11 De heidenen, die rondom ons 328 5, 11| te komen, en in te nemen de sterkte, waarin wij gevloden 329 5, 13| al onze broeders, die in de plaatsen van Toubin waren, 330 5, 16| voor hun broeders, die in de verdrukking waren, en die 331 5, 18| 18 En hij liet Jozef, de zoon van Zacharias en Azaria 332 5, 19| over dit volk, en begint de strijd niet tegen de heidenen, 333 5, 19| begint de strijd niet tegen de heidenen, totdat wij zullen 334 5, 21| leverde vele veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde 335 5, 21| heidenen, en hij vermorzelde de heidenen voor zijn aangezicht, 336 5, 21| en hij vervolgde hen tot de poorten van Ptolomaïs toe.~ 337 5, 22| 22 En daar vielen van de heidenen tot drieduizend 338 5, 24| 24 En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, 339 5, 24| zijn broeder, trokken over de Jordaan, en reisden de weg 340 5, 24| over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de 341 5, 24| de weg van drie dagen in de woestijn;~ 342 5, 25| 25 En ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam 343 5, 27| anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, 344 5, 28| Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar 345 5, 28| met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met 346 5, 28| Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat 347 5, 28| al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en 348 5, 29| en trok alsof hij naar de sterkte wilde gaan.~ 349 5, 30| 30 En als de morgenstond aankwam, en 350 5, 30| andere gereedschappen om de sterkte in te nemen, en 351 5, 31| 31 En Judas zag dat de strijd was aangevangen, 352 5, 31| geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten 353 5, 31| grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:~ 354 5, 33| drie slagorden, bliezen zij de trompetten, en riepen in 355 5, 36| Chasfon, Maked, Bosor, en de overige steden van Galaäditis.~ 356 5, 37| zich tegenover Rafon over de beek.~ 357 5, 38| boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, 358 5, 39| 39 En hij heeft de Arabieren gehuurd om hen 359 5, 39| hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot 360 5, 40| 40 En Timotheüs zeide tot de oversten van zijn krijgsvolk, 361 5, 40| naderde, en zijn leger bij de beek des waters: Indien 362 5, 41| zijn leger opslaan over de rivier, zo zullen wij overtrekken 363 5, 42| 42 Als nu Judas nabij de beek des waters kwam, zo 364 5, 42| waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks, en 365 5, 43| 43 En hij was de eerste die over de beek 366 5, 43| hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, en 367 5, 43| trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld 368 5, 44| 44 En zij namen de stad in, en zij staken het 369 5, 44| allen die daarin waren. En de stad Karnaïn werd omgekeerd, 370 5, 45| 45 En Judas vergaderde al de Israëlieten, die in Galaäditis 371 5, 45| in Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten toe, 372 5, 45| waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, 373 5, 46| dit is, een grote stad op de ingang des lands, zeer sterk, 374 5, 47| 47 Zo sloten die van de stad hen buiten,~ 375 5, 48| 48 En stopten de poorten toe met stenen.~ 376 5, 51| ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en 377 5, 51| plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk 378 5, 51| legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de 379 5, 51| de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad 380 5, 51| dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen 381 5, 52| al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en 382 5, 52| scherpte des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid, en 383 5, 52| plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. 384 5, 52| door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken 385 5, 52| vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke 386 5, 53| 53 En Judas, leidende de achtersten, vermaande het 387 5, 53| achtersten, vermaande het volk op de gehele weg, totdat hij kwam 388 5, 54| 54 En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde en 389 5, 56| 56 Hoorde Jozefus, de zoon van Zacharias, en Azaria, 390 5, 56| oversten van het krijgsvolk, de mannelijke daden en de oorlogen 391 5, 56| de mannelijke daden en de oorlogen die zij uitgericht 392 5, 57| heentrekken om te beoorlogen de heidenen, die rondom ons 393 5, 59| zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen 394 5, 60| Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd 395 5, 60| gedreven, en vervolgd tot de landpalen van Judea; en 396 5, 63| het ganse Israël, en al de volken, waar hun naam gehoord 397 5, 65| trokken uit en bestreden de kinderen van Ezau, in het 398 5, 67| 67 En die dag vielen de priesters in de strijd, 399 5, 67| dag vielen de priesters in de strijd, daar zij een mannelijke 400 5, 68| verbrak hun altaren, en de beelden hunner goden verbrandde 401 5, 68| met vuur, en hij plunderde de roof der steden, en keerde 402 6, 1 | 1 En de koning Antiochus, doorreizende 403 6, 1 | Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat 404 6, 2 | 2 En dat de tempel, die daarin was, 405 6, 2 | wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning 406 6, 2 | Alexander, de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die 407 6, 2 | eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;~ 408 6, 3 | is hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze 409 6, 3 | kon niet, omdat deze zaak de lieden van die stad bekend 410 6, 5 | boodschapte in Perzië, dat de legers, die naar het land 411 6, 5 | Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;~ 412 6, 6 | met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, 413 6, 6 | en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, en 414 6, 6 | vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met 415 6, 6 | die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen 416 6, 7 | dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar 417 6, 8 | 8 En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, 418 6, 9 | vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd 419 6, 10| riep, en zeide tot hen: De slaap houdt op van mijn 420 6, 10| mijn hart vervalt vanwege de bekommernis.~ 421 6, 12| heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren vaten, 422 6, 12| en dat ik gezonden heb om de inwoners van Juda zonder 423 6, 16| 16 En de koning Antiochus stierf 424 6, 17| En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde 425 6, 18| 18 Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten 426 6, 18| die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het heiligdom 427 6, 18| en een sterkte waren voor de heidenen;~ 428 6, 21| hen, en zij reisden naar de koning en zeiden:~ 429 6, 23| komen zijn bevelen, waardoor de lieden van dit volk van 430 6, 26| hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om 431 6, 28| 28 En de koning werd toornig toen 432 6, 28| vergaderde al zijn vrienden, de oversten van zijn krijgsvolk, 433 6, 28| krijgsvolk, en die over de ruiterij waren.~ 434 6, 29| van andere koningen en van de eilanden der zee kwam veel 435 6, 32| 32 En Judas brak op van de burcht en legerde zich in 436 6, 33| 33 En de koning stond op, des morgens 437 6, 33| grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, en 438 6, 33| vechten, zo bliezen zij de trompetten.~ 439 6, 34| 34 En zij toonden de olifanten het sap van wijndruiven, 440 6, 34| van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger te maken.~ 441 6, 35| 35 En zij verdeelden de beesten onder de slagorden, 442 6, 35| verdeelden de beesten onder de slagorden, en zij stelden 443 6, 38| overige krijgsvolk stelden de oversten aan de twee delen 444 6, 38| stelden de oversten aan de twee delen van het leger, 445 6, 39| 39 Zodat als de zon op de gouden schilden 446 6, 39| 39 Zodat als de zon op de gouden schilden scheen, 447 6, 39| gouden schilden scheen, de bergen daarvan blonken, 448 6, 40| leger werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige naar 449 6, 40| hoge bergen en sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid 450 6, 43| Eleazar Auäran zag een van de beesten met koninklijke 451 6, 43| was uitstekende boven al de beesten, en hij dacht dat 452 6, 43| beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;~ 453 6, 45| stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden, en hij sloeg 454 6, 46| 46 En hij ging onder de olifant, en hij zette zich 455 6, 47| 47 En als zij zagen de sterkte des konings, en 456 6, 47| sterkte des konings, en de aanval van het krijgsvolk, 457 6, 48| tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger 458 6, 48| zijn leger in Judea, en op de berg Sion.~ 459 6, 49| waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen 460 6, 49| leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, 461 6, 50| 50 En de koning nam Bethsura in, 462 6, 53| en die behouden en van de heidenen in Judea gevloden 463 6, 54| waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits 464 6, 54| heilige plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, 465 6, 55| hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij 466 6, 56| van Perzië en Medië, met de krijgsmachten des konings 467 6, 56| aan zich te trekken met de zaken daarvan,~ 468 6, 57| aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, 469 6, 57| aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten 470 6, 57| zeggen tot de koning, en tot de oversten van het krijgsvolk, 471 6, 57| van het krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks 472 6, 57| leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren 473 6, 57| is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk 474 6, 58| Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat 475 6, 60| 60 Deze rede behaagde de koning en de oversten, en 476 6, 60| rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot 477 6, 60| en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden, en 478 6, 61| 61 En de koning en de oversten zwoeren 479 6, 61| 61 En de koning en de oversten zwoeren hun deze 480 6, 61| dingen, en zij trokken uit de sterkte;~ 481 6, 62| 62 En de koning ging op de berg Sion, 482 6, 62| 62 En de koning ging op de berg Sion, en bezag de sterkte 483 6, 62| op de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak 484 6, 62| sterkte der plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, 485 6, 62| gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen.~ 486 6, 63| daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij krijgde 487 6, 63| krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~ 488 7, 1 | mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde 489 7, 4 | Demetrius ging zitten op de troon zijns koninkrijks.~ 490 7, 6 | beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas 491 7, 7 | heenreizende, beziet al de verderving, die hij aan 492 7, 8 | 8 En de koning verkoos Bacchides, 493 7, 8 | was in het koninkrijk, en de koning getrouw.~ 494 7, 9 | hij zond dezen; en meteen de goddeloze Alcimus, en hij 495 7, 9 | gebood hem wraak te doen over de kinderen Israëls.~ 496 7, 13| 13 En de Asideeën waren de eersten 497 7, 13| 13 En de Asideeën waren de eersten onder de kinderen 498 7, 13| Asideeën waren de eersten onder de kinderen van Israël, en 499 7, 16| doodde hen op een dag, naar de woorden die de Psalmist 500 7, 16| dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:~


1-500 | 501-1000 | 1001-1161

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License