Chapter, Verse
1 2, 18| zijn, en gij zult, alsook uw huis van des konings vrienden
2 2, 18| vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt
3 2, 50| ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor het verbond
4 2, 65| 65 En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij
5 2, 65| van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een
6 2, 66| zijn jonkheid aan, deze zal uw krijgsoverste wezen, en
7 3, 51| 51 Uw heiligdom is vertreden en
8 3, 51| vertreden en ontheiligd en uw priesters zijn in rouw en
9 4, 30| machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken
10 4, 31| dit leger in de hand van uw volk Israël, en laat hen
11 4, 33| liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen, u loven met
12 5, 17| mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen, die
13 5, 32| 32 Strijdt deze dag voor uw broeders.~
14 5, 50| 50 Ik zal maar door uw land doortrekken om te komen
15 6, 23| Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen
16 7, 6 | zijn broeders hebben al uw vrienden vernield, en hebben
17 7, 28| weinig mannen, opdat ik uw aangezichten mag zien met
18 7, 37| dit huis uitverkoren, dat uw naam daarin zou aangeroepen
19 7, 37| aangeroepen worden, en dat het uw volk zou zijn een huis des
20 7, 41| lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg
21 7, 42| mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben
22 8, 20| opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden.~
23 8, 31| zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden
24 9, 29| 29 Van dat uw broeder Judas gestorven
25 10, 20| dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van
26 10, 54| vriendschap maken, en geef gij nu uw dochter mij ten huwelijk,
27 10, 54| ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal
28 10, 71| indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot
29 10, 72| zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen
30 10, 72| zullen kunnen vaststaan; daar uw vaderen tweemaal op de vlucht
31 11, 9 | over het koninkrijk van uw vader.~
32 11, 41| alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met
33 11, 41| heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede
34 12, 12| wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid.~
35 12, 22| dat gij ons schrijft van uw welstand.~
36 12, 23| En wij schrijven u weder, uw vee en al wat gij hebt,
37 12, 23| en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen gelast,
38 13, 6 | voor het heiligdom, en voor uw vrouwen en kinderen; daar
39 13, 8 | plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.~
40 13, 15| 15 Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan gevangen,
41 13, 46| onze boosheid, maar naar uw barmhartigheid.~
42 14, 21| hebben ons verhaald van uw heerlijkheid en eer, en
43 15, 6 | eigen munt moogt slaan voor uw land.~
44 15, 9 | hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken
45 15, 9 | grote heerlijkheid, zodat uw heerlijkheid openbaar zal
46 16, 3 | en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam tot dit werk
|