Chapter, Verse
1 1, 21| Egypte geslagen had, keerde weder in het honderdendrieënveertigste
2 3, 43| volk uit deze vernedering weder oprichten, en laat ons vechten
3 4, 16| zijn krijgsvolk keerden weder van hen te vervolgen;~
4 4, 35| vermeerd hebbende, besloot hij, weder gesterkt zijnde, in Judea
5 4, 54| ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd, met gezangen,
6 4, 60| tijd zouden komen en ze weder vertreden, gelijk zij tevoren
7 5, 1 | opgebouwd en het heiligdom weder ingewijd was als tevoren,
8 5, 8 | ingenomen hebbende, keerde hij weder in Judea.~
9 5, 28| 28 Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar
10 5, 68| roof der steden, en keerde weder naar het land Juda.~ ~
11 6, 4 | grote droefheid, en keerde weder naar Babylon.~
12 6, 63| haastig vertrokken, en keerde weder naar Antiochië, en hij vond
13 7, 25| tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde
14 8, 32| 32 Indien zij dan ons weder zullen verzoeken tot hulp
15 9, 7 | hij geen tijd had om hen weder bijeen te vergaderen, en
16 9, 9 | zielen behouden, keert nu weder, want onze broeders zijn
17 9, 42| hun broeder, en keerden weder aan de kant van de Jordaan.~
18 9, 49| duizend man, en hij keerde weder naar Jeruzalem.~
19 9, 57| gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en het land
20 9, 65| uit in het land, en kwam weder met een groot getal.~
21 9, 72| land, en hij heeft nooit weder ondernomen in hun landpalen
22 10, 9 | Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.~
23 10, 52| verslagen hebbende, onze landen weder heb veroverd;~
24 10, 66| 66 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem met vrede,
25 10, 68| zeer bedroefd, en keerde weder naar Antiochië.~
26 10, 87| 87 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, met degenen
27 11, 7 | genoemd Eleutherus, en keerde weder naar Jeruzalem.~
28 11, 50| rijk waren; en zij keerden weder naar Jeruzalem, hebbende
29 11, 71| 71 En hij keerde weder tot hen, en streed, en hij
30 11, 72| gevloden waren, keerden weder tot hem, en vervolgden hen
31 11, 73| man, en Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.~ ~
32 12, 1 | met hen te bevestigen, en weder te vernieuwen.~
33 12, 3 | hebben ons gezonden, om weder voor hen te vernieuwen de
34 12, 10| vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen, opdat wij
35 12, 16| gemeenschap van wapenen met hen weder te vernieuwen.~
36 12, 23| 23 En wij schrijven u weder, uw vee en al wat gij hebt,
37 12, 35| 35 En Jonathan keerde weder, en riep de ouderlingen
38 12, 45| 45 Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies
39 13, 24| 24 En Tryfon keerde weder, en trok naar zijn land.~
40 14, 18| gemeenschap van wapenen met hem weder te vernieuwen, die zij gemaakt
41 15, 3 | zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te
42 15, 30| 30 Nu dan geeft weder over de steden, die gij
43 15, 34| en de erve onzer vaderen weder tot ons gebracht.~
44 15, 36| 36 En hij keerde weder tot de koning met gramschap,
45 16, 10| tweeduizend man, en hij keerde weder naar het land Juda met vrede.~
|