Chapter, Verse
1 1, 13| vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed voor
2 1, 24| schatten, die hij vond, en dit alles genomen hebbende trok
3 1, 53| Zo wie niet zou doen naar dit woord des konings, die zou
4 2, 39| Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer
5 2, 47| kinderen van de hoogmoed, en dit werk werd voorspoedig in
6 3, 11| 11 En Judas verstond dit, en hem tegemoet trekkende,
7 4, 1 | duizend uitgelezen ruiters, en dit leger brak op des nachts;~
8 4, 3 | 3 En Judas, dit horende, brak op, hij en
9 4, 10| en hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht
10 4, 19| 19 Als Judas dit nog voleindde te zeggen,
11 4, 21| 21 En dezen, dit ziende, vreesden zeer, en
12 4, 27| 27 En hij dit horende, werd verslagen,
13 4, 31| 31 Besluit dit leger in de hand van uw
14 4, 45| besmet hadden, en zij namen dit altaar weg;~
15 5, 19| hun, zeggende: Weest over dit volk, en begint de strijd
16 5, 46| gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de
17 6, 23| waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd werden.~
18 6, 28| koning werd toornig toen hij dit hoorde, en vergaderde al
19 7, 35| vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En
20 7, 37| 37 Here, gij hebt dit huis uitverkoren, dat uw
21 7, 42| 42 Vermorzel dan alzo dit leger heden voor ons, opdat
22 8, 22| 22 En dit was het afschrift van de
23 9, 34| 34 Bacchides dit vernemende, kwam op de dag
24 9, 70| 70 En Jonathan dit verstaande, zond tot hem
25 10, 14| geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.~
26 10, 23| 23 Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons
27 10, 73| zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen steen,
28 10, 77| 77 Apollonius, dit horende, kwam met een leger
29 11, 15| 15 En Alexander, dit horende, kwam om tegen hem
30 11, 22| 22 En hij, dit horende, werd gram; en zodra
31 12, 5 | 5 En dit is het afschrift van de
32 12, 9 | 9 Hoewel wij dan dit nu niet van node hebben,
33 12, 19| 19 Dit is het afschrift der brieven,
34 12, 23| enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze
35 12, 44| aan: Waarom hebt gij al dit volk zo gekweld, daar tussen
36 13, 30| 30 Dit is het graf, dat hij maakte
37 14, 19| gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift der brieven,
38 14, 26| besteld; en zij schreven dit in koperen platen, en stelden
39 14, 27| 27 En dit is het afschrift van het
40 14, 27| honderdtweeënzeventigste jaar, zijnde dit het derde jaar dat Simon
41 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat
42 14, 48| 48 En zij geboden dat dit schrift zou worden gesteld
43 15, 27| 27 En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak
44 16, 3 | deze uw jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid.
45 16, 22| 22 En hij, dit horende, werd zeer ontsteld,
|