Chapter, Verse
1 1, 9 | gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en
2 1, 44| ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn,
3 2, 23| man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar
4 2, 37| 37 Laat ons allen sterven in onze eenvoudigheid.
5 2, 40| zijn naaste: Indien wij allen zouden doen, gelijk onze
6 2, 41| strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze broeders
7 2, 43| 43 En allen die deze rampen ontvloden
8 2, 67| En gij zult tot u brengen allen die de wet doen, en zult
9 3, 2 | hielpen al zijn broeders, en allen die zijn vader aangehangen
10 4, 22| 22 Zo zijn allen gevloden naar het land der
11 4, 33| die u liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen, u loven
12 5, 2 | van Jakob te verdelgen; allen die in het midden van hen
13 5, 5 | hun torens met vuur, met allen die daarin waren.~
14 5, 27| die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag.~
15 5, 42| nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.~
16 5, 44| verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren. En de
17 6, 41| 41 En zij werden allen ontroerd, die het geluid
18 7, 7 | konings, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben,
19 7, 22| tot hem werden vergaderd allen die hun volk ontroerden,
20 7, 46| tot genen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar
21 8, 12| bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor
22 8, 13| 13 En dat allen, die zij wilden helpen en
23 8, 14| 14 En dat in deze allen niemand van hen een koninklijke
24 8, 16| al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren,
25 9, 23| tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid werkten,
26 9, 33| en zijn broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende,
27 9, 58| wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in één nacht grijpen.~
28 10, 33| laat ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen kwijtgescholden
29 10, 43| 43 En allen, die in de tempel te Jeruzalem
30 10, 64| aangedaan, zo vloden zij allen.~
31 10, 84| de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren,
32 11, 33| behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren;
33 11, 46| hulp, en zij vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden
34 11, 50| zo bij de koning als bij allen die in zijn rijk waren;
35 11, 69| 69 En allen die bij Jonathan waren,
36 12, 45| andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld
37 12, 48| zij doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~
38 12, 49| vlakke veld, om te verdelgen allen, die met Jonathan waren
39 12, 52| 52 En zij kwamen allen in het land van Juda, en
40 13, 29| om gezien te worden door allen, die op de zee varen.~
41 14, 9 | op de straten, en spraken allen met elkander van goede dingen,
42 14, 43| aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en
43 14, 47| en der priesters, en over allen te gebieden.~
44 15, 8 | kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.~
|