Chapter, Verse
1 2, 17| zeer sterk van zonen en broeders;~
2 2, 20| ik en mijn zonen en mijn broeders wandelen in het verbond
3 2, 40| zouden doen, gelijk onze broeders gedaan hebben, en wij niet
4 2, 41| allen sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.~
5 3, 2 | 2 En hem hielpen al zijn broeders, en allen die zijn vader
6 3, 42| 42 Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden,
7 4, 36| 36 Judas en zijn broeders zeiden: Ziet onze vijanden
8 4, 59| 59 En Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering
9 5, 10| brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:~
10 5, 13| 13 En al onze broeders, die in de plaatsen van
11 5, 16| zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren,
12 5, 17| mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in
13 5, 32| Strijdt deze dag voor uw broeders.~
14 5, 61| hoorden naar Judas en zijn broeders, menende dat zij ook een
15 5, 63| 63 En Judas en zijn broeders zijn zeer verheerlijkt voor
16 5, 65| 65 En Judas en zijn broeders trokken uit en bestreden
17 6, 22| recht oefenen, en zult onze broeders niet wreken?~
18 7, 6 | zeggende: Judas en zijn broeders hebben al uw vrienden vernield,
19 7, 10| boden tot Judas en zijn broeders, vreedzame woorden sprekende
20 7, 27| hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog sprekende, vreedzame
21 8, 20| Judas Makkabeüs en zijn broeders en de menigte der Joden
22 9, 9 | keert nu weder, want onze broeders zijn weggelopen, en zouden
23 9, 39| bruidegom en zijn vrienden en broeders gingen uit hun tegemoet,
24 9, 66| Hij sloeg Odomer en zijn broeders, en de zonen van Fasiron
25 10, 5 | gedaan hebben, en tegen zijn broeders, en tegen zijn volk.~
26 10, 15| die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan
27 12, 6 | wensen de Spartiaten, hun broeders, voorspoed.~
28 12, 7 | onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk het afschrift
29 12, 21| Spartiaten en de Joden, dat zij broeders zijn, en dat zij zijn uit
30 13, 3 | weet zelf, wat ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders
31 13, 4 | 4 Daarom zijn al mijn broeders omgekomen, om Israëls wil,
32 13, 5 | ben niet beter dan al mijn broeders.~
33 13, 8 | van Judas en Jonathan, uw broeders.~
34 13, 27| zijn vader, en van zijn broeders, een gebouw, en trok het
35 13, 28| zijn moeder, en zijn vier broeders.~
36 14, 18| Judas en Jonathan, zijn broeders.~
37 14, 20| andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.~
38 14, 26| 26 Want hij, en zijn broeders, en zijn vaders huis, hebben
39 14, 29| kinderen van Jarib, en zijn broeders, zichzelf hebben begeven
40 16, 2 | zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders
41 16, 3 | gij dan in mijn en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt
42 16, 21| was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had
|