Chapter, Verse
1 1, 52| gruwelijk zouden maken door al wat onrein en onheilig was,
2 2, 10| 10 Wat volk is er dat haar koninkrijk
3 2, 28| de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.~
4 2, 51| 51 Gedenkt onze vaderen, wat daden zij gedaan hebben
5 3, 34| gaf hem bevel van alles wat hij wilde gedaan hebben;
6 3, 50| tot de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en
7 3, 52| ons te vernielen. Gij weet wat zij tegen ons denken.~
8 4, 20| gezien werd, openbaarde wat er geschied was.~
9 4, 26| boodschapten aan Lysias al wat er geschied was.~
10 4, 27| Israël niet was overkomen wat hij gaarne gewild had, en
11 4, 44| En als zij raad hielden wat zij zouden doen met het
12 4, 46| komen, om te antwoorden wat men met deze doen zou.~
13 5, 16| vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun
14 5, 23| vrouwen en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten
15 5, 25| bejegenden, en hun vertelden al wat met hun broederen in Galaäditis
16 5, 28| de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte
17 5, 35| nam haar in, en doodde al wat mannelijk daarin was, plunderde
18 5, 52| 52 En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte
19 6, 11| gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen,
20 6, 11| verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin
21 8, 3 | 3 En wat zij gedaan hadden in het
22 8, 30| eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen
23 9, 36| en kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende,
24 10, 43| losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben.~
25 11, 5 | zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om
26 11, 33| bij Judea; en al hetgeen wat daaraan behoort, geven wijl
27 11, 39| zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had,
28 12, 13| 13 Wat ons aangaat, vele verdrukkingen
29 12, 23| schrijven u weder, uw vee en al wat gij hebt, is ons, en al
30 12, 23| gij hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben
31 13, 3 | tot hen: Gij weet zelf, wat ik en mijn broeders, en
32 13, 9 | en wij zullen alles doen wat gij ons zult zeggen.~
33 13, 38| 38 Al wat wij u beloofd hebben, dat
34 14, 25| zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon
35 14, 34| Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting
36 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig zijt,
37 15, 8 | koning schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren,
38 15, 35| 35 En wat aangaat Joppe en Gazara,
39 15, 36| heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning
40 16, 1 | verhaalde zijn vader Simon, wat Cendebeüs uitrichtte.~
41 16, 14| het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en
|