Chapter, Verse
1 1, 16| verkocht om het kwade te doen.~
2 1, 53| 53 Zo wie niet zou doen naar dit woord des konings,
3 2, 34| het woord des konings niet doen, om te ontheiligen de dag
4 2, 40| Indien wij allen zouden doen, gelijk onze broeders gedaan
5 2, 67| brengen allen die de wet doen, en zult de wraak uws volks
6 3, 30| tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te
7 3, 36| hij vreemde kinderen zou doen wonen in al hun landpalen,
8 3, 50| zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen wij hen
9 4, 44| raad hielden wat zij zouden doen met het altaar des brandoffers,
10 4, 46| antwoorden wat men met deze doen zou.~
11 5, 16| beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, die in
12 5, 50| niemand zal ulieden enig kwaad doen, wij zullen alleen te voet
13 5, 61| een mannelijke daad zouden doen.~
14 5, 67| een mannelijke daad wilden doen, omdat zij ten strijde trokken
15 6, 18| altijd zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor
16 6, 27| zij nog meerdere dingen doen dan deze, en gij zult hen
17 7, 9 | hij gebood hem wraak te doen over de kinderen Israëls.~
18 8, 30| iets zullen willen daarbij doen of afdoen, zo zullen zij
19 8, 30| afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden;
20 8, 30| al wat zij daarbij zullen doen of daar afdoen, dat zal
21 8, 32| zo zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen
22 9, 9 | Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen
23 9, 10| dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden;
24 9, 71| zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven.~
25 10, 35| hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen moeite
26 10, 35| iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak.~
27 10, 42| toebehoren, die de dienst doen.~
28 10, 56| 56 En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven hebt;
29 11, 32| hetgeen recht is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid
30 11, 41| Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik
31 11, 42| 42 Gij zult dan nu wel doen, dat gij mij mannen zendt,
32 12, 13| koningen, die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan.~
33 12, 18| 18 En voorts zult gij wel doen, dat gij ons hierop antwoordt.~
34 12, 22| hebben, zo zult gij wel doen, dat gij ons schrijft van
35 13, 6 | 6 Maar ik zal wraak doen voor mijn volk, en voor
36 13, 9 | oorlog, en wij zullen alles doen wat gij ons zult zeggen.~
37 13, 21| gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij tot hen
38 14, 42| heiligdom hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld
39 14, 44| iets van deze teniet te doen, of tegen te spreken hetgeen
40 14, 46| naar al deze woorden zou doen.~
41 15, 19| niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch
|