Chapter, Verse
1 7, 1 | honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome,
2 7, 4 | krijgsvolk doodde hen, en Demetrius ging zitten op de troon
3 8, 31| kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij
4 9, 1 | 1 Als Demetrius hoorde hoe Nicanor en zijn
5 10, 2 | 2 En de koning Demetrius dat horende, vergaderde
6 10, 3 | 3 En Demetrius zond Jonathan brieven met
7 10, 15| horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had,
8 10, 22| 22 Demetrius hoorde deze dingen, en werd
9 10, 25| deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk der Joden
10 10, 48| krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.~
11 10, 49| strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander
12 10, 50| ondergang der zon toe, zo viel Demetrius op die dag.~
13 10, 52| gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende, onze
14 10, 67| honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius,
15 10, 67| kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in
16 10, 69| 69 En Demetrius stelde Apollonius, die over
17 11, 9 | zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat
18 11, 12| weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander
19 11, 19| 19 En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste
20 11, 30| 30 De koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan,
21 11, 37| 37 En Demetrius ziende dat het land voor
22 11, 38| al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde naar
23 11, 39| en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat
24 11, 40| zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op
25 11, 41| 41 En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende:
26 11, 51| 51 En de koning Demetrius ging zitten op de troon
27 11, 54| al de krijgsknechten, die Demetrius afgedankt had, en die streden
28 11, 62| horende dat de oversten van Demetrius te Kades in Galilea waren,
29 12, 24| de oversten des konings Demetrius wederkwamen met een grote
30 12, 34| overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde hij daar
31 13, 34| hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land vrijdom
32 13, 35| 35 En Demetrius, de koning, zond aan hem
33 13, 36| 36 De koning Demetrius wenst de hogepriester Simon,
34 14, 1 | jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, en trok
35 14, 2 | Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen,
36 14, 3 | heen en sloeg het leger van Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht
37 14, 38| 38 En de koning Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt
38 15, 1 | Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden
39 15, 22| geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas,
|