Chapter, Verse
1 1, 12| velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een
2 2, 37| 37 Laat ons allen sterven in onze
3 2, 41| strijden op de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden,
4 2, 41| tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk
5 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering
6 3, 43| vernedering weder oprichten, en laat ons vechten voor ons volk,
7 4, 10| 10 En nu, laat ons roepen naar de hemel,
8 4, 31| hand van uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden in
9 4, 32| hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door
10 4, 33| dergenen, die u liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen,
11 4, 36| vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom
12 5, 42| hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich nederzetten,
13 5, 57| 57 Laat ons ook onszelf een naam
14 5, 57| onszelf een naam maken, en laat ons heentrekken om te beoorlogen
15 6, 58| 58 Laat ons dan nu deze mannen de
16 6, 58| de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken,
17 6, 59| 59 En laat ons hun toelaten, dat zij
18 7, 28| 28 Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen
19 7, 38| en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen.
20 9, 8 | zeide tot de overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken
21 9, 9 | zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden,
22 9, 10| onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven
23 9, 10| onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige
24 9, 44| degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten
25 9, 58| wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen,
26 10, 4 | 4 Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen om met
27 10, 16| een zodanige man vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend
28 10, 33| in mijn ganse koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen
29 10, 54| 54 Laat ons dan nu met elkander
30 10, 63| het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand
31 10, 71| ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden,
32 11, 9 | Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond
33 11, 36| deze alle gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven,
34 11, 49| ons de rechter hand, en laat de Joden ophouden ons en
35 12, 54| noch overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden,
36 12, 54| hen nu dan bestrijden, en laat ons hun gedachtenis uit
37 13, 40| opgeschreven wordene, en laat tussen ons vrede zijn.~
38 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een eigen
|