Chapter, Verse
1 1, 23| grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden altaar,
2 1, 38| burcht was om altoos het heiligdom lagen te leggen, en om tegen
3 1, 39| onschuldig bloed rondom het heiligdom, en verontreinigden het
4 1, 39| en verontreinigden het heiligdom.~
5 1, 42| 42 Haar heiligdom is verwoest als een woestijn;
6 1, 48| en het drankoffer uit het heiligdom weren zouden.~
7 1, 50| 50 Dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen ontreinigen
8 2, 8 | 8 Het heiligdom is in de hand der vreemdelingen.
9 3, 43| voor ons volk, en voor het heiligdom.~
10 3, 45| ging of uitging, en het heiligdom vertreden werd, en de kinderen
11 3, 51| 51 Uw heiligdom is vertreden en ontheiligd
12 3, 58| ons te vernielen en ons heiligdom.~
13 3, 59| van ons volk en van ons heiligdom.~
14 4, 36| laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen, en het opnieuw
15 4, 38| 38 En zij zagen het heiligdom verwoest, en het altaar
16 4, 41| burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben.~
17 4, 43| 43 En zij reinigden het heiligdom, en namen de stenen der
18 4, 48| 48 En zij bouwden het heiligdom, en het binnenste van het
19 5, 1 | altaar opgebouwd en het heiligdom weder ingewijd was als tevoren,
20 6, 7 | Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk het eerst was, hadden
21 6, 18| de Israëlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten
22 6, 26| Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben
23 6, 51| sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, en hij stelde
24 7, 33| van de priesters uit het heiligdom, en enigen van de ouderlingen
25 7, 42| leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben gesproken,
26 10, 39| behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten,
27 10, 39| de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan worden.~
28 13, 3 | voor de wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden,
29 13, 6 | voor mijn volk, en voor het heiligdom, en voor uw vrouwen en kinderen;
30 14, 15| 15 Het heiligdom verheerlijkte hij, en vermenigvuldigde
31 14, 15| vermenigvuldigde de vaten van het heiligdom.~
32 14, 29| tegen gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden staande
33 14, 31| uit te strekken tegen hun heiligdom;~
34 14, 36| uitvallende alles rondom het heiligdom besmetten, en een grote
35 14, 42| zouden worden, die in het heiligdom hun dienst zouden doen,
36 14, 43| zou verzorgen hetgeen het heiligdom aangaat, en dat hij door
37 14, 48| zetten in de omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats.~
38 15, 7 | 7 Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij zijn, en al
|