Chapter, Verse
1 4, 2 | zouden op het leger der Joden, en hen onvoorziens zouden
2 4, 20| vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden
3 4, 35| getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven
4 6, 6 | was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met wapenen,
5 8, 20| broeders en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden,
6 8, 23| Romeinen en het volk der Joden moet welgaan, te water en
7 8, 25| 25 Zo zal het volk der Joden met volle genegenheid des
8 8, 27| volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog zou mogen overkomen,
9 8, 29| Romeinen met het volk der Joden een verbond.~
10 8, 31| vrienden en bondgenoten de Joden?~
11 10, 23| vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken?~
12 10, 25| Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.~
13 10, 29| ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de
14 10, 33| 33 En alle ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen
15 10, 34| deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn,
16 10, 36| 36 En uit de Joden zullen tot de krijgslieden
17 11, 25| goddelozen uit het volk der Joden beschuldigden hem.~
18 11, 30| Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.~
19 11, 32| voorgenomen aan het volk der Joden, die onze vrienden zijn,
20 11, 46| 46 En de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden
21 11, 48| van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden,
22 11, 49| rechter hand, en laat de Joden ophouden ons en de stad
23 11, 50| en maakten vrede; en de Joden bekwamen grote eer, zo bij
24 12, 3 | hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden, om
25 12, 6 | en het andere volk der Joden wensen de Spartiaten, hun
26 12, 21| aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broeders zijn,
27 13, 42| veldoverste, en leidsman der Joden.~
28 14, 20| en het andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.~
29 14, 22| Jasons zoon, gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om
30 14, 34| gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig
31 14, 40| hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd
32 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd
33 14, 47| overste van het volk der Joden, en der priesters, en over
34 15, 1 | priester en overste der Joden, en aan al het volk;~
35 15, 2 | overste, en het volk der Joden voorspoed.~
36 15, 17| 17 De gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, zijnde
37 15, 17| hogepriester, en door het volk der Joden;~
|