Chapter, Verse
1 2, 8 | tempel is geworden als een man die ongeëerd is.~
2 2, 17| wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk
3 2, 23| spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen
4 2, 25| 25 En de man des konings, die de lieden
5 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste: Indien
6 2, 65| broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al
7 3, 32| liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht,
8 4, 1 | nam tot zich vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen
9 4, 6 | vlakke veld met drieduizend man; doch zij hadden geen deksels
10 4, 15| hen vielen tot drieduizend man.~
11 5, 20| werden toegedeeld drieduizend man, om naar Galilea te trekken,
12 5, 20| trekken, en Judas achtduizend man om te trekken naar Galaäditis.~
13 5, 22| heidenen tot drieduizend man, en zij kregen hun buit.~
14 5, 34| die dag tot achtduizend man.~
15 5, 60| Israëls tot tweeduizend man, en daar werd een grote
16 7, 7 | 7 Zend dan nu een man, die gij vertrouwt, die
17 7, 14| 14 Want zij zeiden: Een man, die een priester is uit
18 7, 40| in Adasa met drieduizend man, en Judas bad God, en zeide:~
19 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden om over hen
20 9, 4 | Berea, met twintigduizend man te voet, en tweeduizend
21 9, 6 | uit hen maar achthonderd man overbleven.~
22 9, 29| Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk, om uit
23 9, 49| die dag omtrent duizend man, en hij keerde weder naar
24 10, 16| Zouden wij ook een zodanige man vinden? Laat ons dan nu
25 10, 19| gehoord, dat gij een machtig man zijt in sterkte, en dat
26 10, 36| worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven,
27 10, 85| werden, waren tot achtduizend man.~
28 11, 44| honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.~
29 11, 47| op die dag honderdduizend man, en staken de stad in brand,
30 11, 73| die dag, tot drieduizend man, en Jonathan keerde weder
31 12, 8 | 8 En daar Onias de man, die daarmee gezonden was,
32 12, 41| tegemoet met veertigduizend man, ten strijd uitgelezen,
33 12, 47| zich blijven drieduizend man, van welke hij tweeduizend
34 13, 54| zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft hem
35 16, 10| dezen vielen tot tweeduizend man, en hij keerde weder naar
|