Chapter, Verse
1 1, 12| verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.~
2 1, 14| hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen te plegen.~
3 1, 15| school naar de wetten der heidenen.~
4 1, 16| en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het
5 2, 12| heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd.~
6 2, 40| zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze
7 2, 44| overgeblevenen vloden naar de heidenen om behouden te worden.~
8 2, 48| bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, en uit de hand der koningen,
9 2, 68| 68 Vergeldt de heidenen de vergelding, en houdt
10 3, 45| op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden,
11 3, 48| der wet uit, waarnaar de heidenen naarstig zochten, om daarin
12 3, 52| 52 En zie, de heidenen zijn tegen ons vergaderd
13 3, 58| om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd zijn tegen
14 4, 7 | als zij nu het leger der heidenen zagen, dat sterk en welgewapend
15 4, 14| kwamen aan elkander, en de heidenen werden geslagen, en vloden
16 4, 45| smaadheid worde, daar de heidenen dat besmet hadden, en zij
17 4, 54| en op de dag, waarop de heidenen dat ontheiligd hadden, op
18 4, 58| volk, en de smaadheid der heidenen is afgekeerd.~
19 4, 60| sterke torens, opdat de heidenen niet te eniger tijd zouden
20 5, 1 | 1 Het geschiedde, als de heidenen daar rondom hoorden dat
21 5, 9 | 9 En de heidenen die in Galaäd waren, vergaderden
22 5, 11| 11 De heidenen, die rondom ons zijn, zijn
23 5, 19| de strijd niet tegen de heidenen, totdat wij zullen wedergekeerd
24 5, 21| vele veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde de heidenen
25 5, 21| heidenen, en hij vermorzelde de heidenen voor zijn aangezicht, en
26 5, 22| 22 En daar vielen van de heidenen tot drieduizend man, en
27 5, 43| trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld voor zijn
28 5, 57| heentrekken om te beoorlogen de heidenen, die rondom ons zijn.~
29 6, 18| een sterkte waren voor de heidenen;~
30 6, 53| en die behouden en van de heidenen in Judea gevloden waren,
31 7, 23| Israëls deden meer dan de heidenen,~
32 12, 53| 53 Want alle heidenen, die rondom hen waren, zochten
33 13, 6 | en kinderen; daar al de heidenen tezamen gekomen zijn om
34 13, 41| honderdenzeventigste jaar is het juk der heidenen van Israël weggenomen.~
35 14, 36| onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn,
|