Chapter, Verse
1 1, 1 | geschiedde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër,
2 1, 11| namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus,
3 2, 1 | stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van
4 2, 1 | de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester,
5 2, 26| Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom.~
6 3, 1 | genoemd werd Makkabeüs, zijn zoon, stond op in zijn plaats;~
7 3, 33| 33 En om zijn zoon Antiochus op te voeden,
8 3, 38| nu verkoor Ptolomeüs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor,
9 4, 30| handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.~
10 5, 18| 18 En hij liet Jozef, de zoon van Zacharias en Azaria
11 5, 56| 56 Hoorde Jozefus, de zoon van Zacharias, en Azaria,
12 6, 2 | waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning
13 6, 15| zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus halen, en hem
14 6, 17| stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn
15 6, 55| leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden,
16 7, 1 | kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met
17 8, 17| Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van
18 8, 17| de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de
19 8, 17| van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond
20 10, 1 | honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd
21 10, 67| jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland
22 11, 38| die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;~
23 11, 69| gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de
24 11, 69| van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten
25 12, 16| verkoren Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon,
26 12, 16| zoon, en Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden
27 13, 11| En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem
28 13, 54| 54 Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man
29 14, 22| aldus: Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon,
30 14, 22| zoon, en Antipater, Jasons zoon, gezanten der Joden, zijn
31 14, 29| 29 Dat Simon, de zoon van Mattathias, van de kinderen
32 15, 1 | 1 En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius,
33 16, 11| 11 En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld
34 16, 15| 15 En de zoon van Abubus ontving hen met
|