Chapter, Verse
1 1, 29| En het land beefde over degenen die het bewoonden, en het
2 1, 41| werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren,
3 1, 62| deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden werden van
4 1, 65| doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.~
5 2, 61| tot geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen
6 3, 5 | vervolgde hen, en verbrandde degenen, die het volk beroerden;~
7 3, 9 | aarde, en hij vergaderde degenen, die verloren gingen.~
8 3, 29| schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen
9 3, 45| woestijn, en daar niemand van degenen, die daar geboren waren,
10 3, 56| 56 En zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en
11 4, 41| dat zij bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren,
12 6, 18| 18 Toen nu degenen die op de burcht waren,
13 6, 24| 24 Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden,
14 6, 49| En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren;
15 7, 41| 41 Eertijds als degenen die door de koning Sanherib
16 8, 1 | vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en
17 8, 13| die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten,
18 8, 26| 26 En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen
19 9, 14| rechterhand waren, en al degenen, die kloek van harte waren,
20 9, 29| tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons
21 9, 44| 44 En Jonathan zeide tot degenen die met hem waren: Laat
22 10, 7 | van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren.~
23 10, 14| enigen overgebleven van degenen, die de wet en de geboden
24 10, 87| weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende
25 11, 18| de derde dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren,
26 11, 18| werden omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.~
27 11, 38| een zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders
28 11, 40| koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem
29 11, 72| 72 Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden waren,
30 12, 27| was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden
31 12, 51| 51 En degenen, die hen vervolgden, ziende
32 13, 11| en hij verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij
33 13, 37| vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen
34 15, 4 | het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven,
|