Chapter, Verse
1 3, 19| in de menigte der macht, maar de kracht uit de hemel geeft
2 4, 15| 15 Maar al de laatsten vielen voor
3 4, 18| is op de berg nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden,
4 5, 41| 41 Maar indien hij zal vrezen, en
5 5, 42| geen mens zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten
6 5, 46| linkerhand voorbij trekken, maar men moest midden daardoor
7 5, 50| 50 Ik zal maar door uw land doortrekken
8 6, 3 | nemen, en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat deze
9 6, 12| 12 Maar nu gedenk ik aan het kwaad
10 6, 25| uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.~
11 6, 31| instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit
12 6, 55| 55 Maar als Lysias hoorde dat Filippus,
13 7, 11| 11 Maar zij luisterden naar hun
14 7, 34| 34 Maar hij bespotte hen en belachte
15 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden,
16 8, 15| 15 Maar dat zij zichzelf een Raad
17 9, 6 | leger, zodat er uit hen maar achthonderd man overbleven.~
18 10, 47| 47 Maar het dacht hun goed dat zij
19 10, 62| 62 Maar de koning gebood dat men
20 11, 41| dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid
21 11, 52| die bij hem bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.~
22 12, 43| 43 Maar ontving hem met grote eer,
23 12, 48| 48 Maar zodra Jonathan binnen Ptolomaïs
24 12, 50| 50 Maar zij, verstaan hebbende,
25 13, 6 | 6 Maar ik zal wraak doen voor mijn
26 13, 22| vanwege de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis.~
27 13, 46| handelen naar onze boosheid, maar naar uw barmhartigheid.~
28 13, 47| en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en
29 14, 8 | 8 Maar een ieder bouwde zijn land
30 15, 27| wilde dit niet ontvangen, maar verbrak al hetgeen dat hij
31 15, 33| anders goed niet bemachtigd, maar de erve onzer vaderen, die
32 16, 3 | 3 Maar ik ben nu oud geworden,
33 16, 9 | van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen,
|